1. CORPUS


1.1 Het antropoceen


9460 woorden, leestijd: 38 minuten

De catastrofe

Onze samenleving staat momenteel voor vele uitdagingen. We leven in tijden van ontwrichtende technologische, economische, ecologische en sociale veranderingen. De opwarming van de aarde versnelt, grondstoffen en voedsel worden schaars, oceanen verzuren, het water stijgt. Soorten sterven in een razendsnel tempo uit, invasieve soorten verstoren de lokale biodiversiteit en rukken alsmaar meer op. Oerbossen worden nog steeds in versneld tempo neergehaald en verbrand, milieuverontreiniging zorgt wereldwijd voor een steeds grotere verstoring van ons leefmilieu, natuurrampen komen steeds frequenter voor en er is sprake van een steeds verder groeiende sociale ongelijkheid die aanzetten tot massamigratie en gewapende conflicten.[1]

Met deze problemen worden we als mensheid haast dagelijks geconfronteerd, en ze lijken alleen maar groter, oncontroleerbaarder, angstaanjagender en dodelijker te worden. Meer en meer mensen ondervinden de ernstige gevolgen en pijnlijke consequenties en confrontaties die de klimaatopwarming met zich meebrengt. Alleen al in de laatste twee maanden van dit jaar, juni en juli 2021, hebben er wereldwijd al meer dan 80 rampen plaatsgevonden, met meer honderden slachtoffers als gevolg.[2]De steeds rijker-wordende zichzelf verrijkende rijken der aarde zijn al bezig met de voorbereidingen om het stuurloze space-ship Earth [3] te ontvluchten in hun zelf gefinancierde ruimtecapsules, of graven zich in, in stevige bunkers.

We lijken als het ware rechtstreeks af te stevenen op een serie van catastrofes, die met een onafwendbaar cascade-effect aanleiding kunnen geven tot de moeder van alle menselijke catastrofes: de extinctie van de mensheid en de totale verwoesting van onze habitat. Ondanks alle goede bedoelingen van schreeuwende actievoerders, kale kakelende politici, paniekerige natuurbeschermers, plichtsbewuste burgers, in het groen verpakte industriëlen, tot-de-natuur-bekeerde kunstenaars, gedesoriënteerde gidsen, gedreven wetenschappers, en tot wanhoop gedreven schrijvers ten spijt, lijken we als samenleving de handrem nog niet te hebben gevonden -als die er al is- om onze catastrofale impact op onze planeet te vertragen.

We worden overspoeld door een grote hoeveelheid van waardevolle wetenschappelijke en filosofische inzichten, tonnen data, en harde bewijzen dat er iets ernstig loos is. Maar toch blijven we haast onbeschaamd tonnen C02 de atmosfeer inpompen, blijven we blinkende rommel voor onze pleziertjes produceren, verschepen, consumeren en weer wegwerpen. Ondanks de groene technologieën heeft onze samenleving nog steeds een groter wordende, niet te stillen energiehonger, waarbij alleen al de digitale ontginning van crypto-munten momenteel meer energie verbruikt dan heel Nederland. Van deze aanhoudende staat van intense cognitieve dissonantie zou je zomaar van in een eco-depressie kunnen belanden, wat je gelukkig tegenwoordig dan -wel- kan oplossen met een bezoekje aan de klimaatpsycholoog en een doosje antidepressiva. [4]

Om het met de woorden van mijn zoontje -toen 5 jaar- samen te vatten: “Ik leef niet in zo’n fijne tijd”. Hoewel hij als kind in West-Europa werkelijk niets te kort komt -dan wat extra tijd van zijn papa, die zich nu in zijn schrijfkamer opsluit - kon hij als vijfjarige knaap de ernst van de klimaatopwarming, plasticvervuiling en de coronapandemie al inschatten en begrijpen dat de impact van deze problematieken erg groot zou kunnen zijn voor zijn toekomst, en die van zijn kinderen later. Waarom zijn er nog geen boeken of handleidingen te vinden over kinderen opvoeden ten tijde van een naderende catastrofe?

Hoe we als samenleving leren omgaan met aankomende catastrofes zal cruciaal zijn om als soort en maatschappij te kunnen overleven. Dat er hoogdringend iets moet veranderen aan onze Westerse levensstijl en onze aangeleerde visie op natuur-cultuur staat volkomen vast. Alleen weten we nog niet hoe en of we nog op tijd zijn maar niets doen is alvast geen optie.

We bevinden ons op dit moment in het antropoceen[5], oftewel het tijdperk van de mens. Een nieuw geologisch tijdperk, waarin de mens een zo grote invloed uitoefent op de aarde dat de natuurlijke werking van de aardste ecosystemen in het gedrang komen. We zijn als soort in enkele decennia één van de grootste geologische krachten geworden op deze planeet. We beïnvloeden het klimaat, de atmosfeer, geologie en biodiversiteit bewust en onbewust, maar de gevolgen van ons menselijke handelen op onze planeet zijn niet meer volledig in te schatten en de effecten zijn onomkeerbaar en angstaanjagend.

Het antropoceen als kritisch moment.

In 2002 benoemde de Nederlandse atmosferisch chemicus Paul Crutzen de periode waarin wij leven het antropoceen. Hoewel er in de wetenschappen nog steeds hevig heen en weer wordt gediscussieerd over de naam, start en definitie van dit tijdperk staat het vast dat we als mens systemen hebben gecreëerd die ons naar deze haast uitzichtloze en penibele situatie hebben geleid.[6]

Sommige academici verwijzen naar de opkomst van de landbouw, de agri-logistiek,[7]de imaginaire kloof tussen natuur en cultuur, het kapitalisme en de Industriële Revolutie waarbij de mechanisatie van de arbeid via stoommachines of kolen aangedreven machines in de tweede helft van de 18de eeuw het landschap massaal vertekenden, tot aan de door Henri Ford in 1908 geïntroduceerde fabricage aan de lopende band. Anderen willen de zogenaamde golden spike vastpinnen bij de geboorte van de atoombom in 1945, en de vele bovengrondse atoomproeven waarbij het radioactieve isotoop plutonium-239 of koolstof-14 over de hele wereld werd verspreid.

Nog anderen willen de spike verplaatsen naar de jaren ’50 waarbij er een grote acceleratie plaatsvond in het produceren, consumeren en waarbij de menselijke bevolking steeds sneller aangroeide. Hoewel er nog geen consensus is te vinden in het exacte begin, hebben allen een beslissende rol hebben gespeeld. Met de opkomst van de verwerkende industrie, gericht op een constante cash flow en stijgende BNP's, is onze identiteit als Westerse mens steeds verder vervreemd geraakt van onze natuurlijke oorsprong.[8] Proberen deze kloof te dichten zal een noodzakelijke, en grote uitdaging zijn voor de wetenschappen, de kunsten en de samenleving als geheel. We kunnen als samenleving blijven discussiëren over de exacte startdatum, woordkeuze en definitie, maar waar we wel zeker van zijn is dat we ertegen moeten ageren of het beëindigen zoals Lieven De Cauter het omschrijft in zijn boek Ending the Anthropocene, Essays on Activism in the Age of Collapse (2020).[9]

Op Campbell Island, een onbewoond en afgelegen sub-antarctisch eiland, staat de eenzaamste boom ter wereld. Het is een honderdjarige Sitkaspar of Picea sitchensis, en de dichtstbijzijnde boom bevindt zich 220 kilometer verder. Aangezien bomen sociale wezens zijn, en nood hebben aan sociale contacten met soortgenoten, kunnen we hem zeker als eenzaam bestempelen.[10] Hij staat als absolute recordhouder van eenzaamheid zelfs vermeldt in The Guinnes book of Records.[11] Wij mensen, houden van records.

Volgens Mancuso werd Campbell Island door zijn afgelegen ligging pas ontdekt in 1810, en door zijn gure klimaat heeft er zich geen permanente menselijke gemeenschap kunnen vestigen. De zon schijnt er maar één uur per dag, de gemiddelde temperatuur bedraagt slechts 7 graden en de wind giert er vaak met een snelheid van 100 km per uur over het eiland. Ondanks het feit dat het eiland te onherbergzaam is voor menselijke bewoning, heeft de mens er toch zijn sporen nagelaten. De zeehondenpopulatie werd bijvoorbeeld al in 1815 uitgeroeid en rond 1900 werden er op het eiland, dat tot de overzeese Britse kolonies behoorde, een honderdtal sparren geplant in opdracht van de Britse gouverneur Lord Ranfurly. Wat ben je immers met een onherbergzaam eiland, waar enkel mossen, grasachtigen en lage struiken groeien in je kolonisatieportefeuille. De sparren zouden dan kunnen dienen als houtproductie, en op deze manier kon het waardeloze eiland dan toch productief worden. De sparren konden echter het gure klimaat niet overleven, en ze stierven al binnen het jaar een ontheemde dood, ver van hun natuurlijke habitat. Allen, buiten één.

Eén spar, ondertussen de meest geïsoleerde boom ter wereld, bleef echter overeind staan en trotseerde de koude Arctische poolwinden en het gebrek aan zon meer dan honderd jaar lang met bravoure. Oude bomen kunnen ons veel vertellen over de geschiedenis van onze aarde en zijn daarmee werkelijke chroniqueurs van belangrijke gebeurtenissen. Door de samenstellingen van concentrische jaarringen te onderzoeken, komen wetenschappers veel te weten over het verleden en daarmee is onze eenzame boom van Campbell Island ook een belangrijke getuige in het toewijzen van een mogelijke officiële startdatum van het antropoceen.[12] Onderzoekers troffen immers, in het hout van deze geïsoleerde boom, een duidelijke piek van het radioactieve koolstof-14 aan. Deze piek is afkomstig van de vele kernproeven, en ontploffingen op het Noordelijke halfrond. De aanwezigheid van deze isotopen in een boom die op de meest verre plek van de radio-actieve bron groeide, is het onmiskenbare bewijs van de wereldwijde omvang van het menselijke ingrijpen. Volgens onderzoeker Chris Turney geeft het ons een duidelijk globaal signaal voor het nieuwe menselijke tijdperk. Zelfs binnen 50.000 jaar zullen deze radioactieve koolstof-14 sporen immers nog te vinden zijn in de houtlagen op onze wereld, en kunnen dan nog steeds dienst doen als een obscure marker van het antropocene startpunt. Het vormt tevens het bewijs dat geen enkele plek op aarde nog niet besmet is door ons menselijke parasitaire handelen.

Ook op het Noordelijke halfrond, en dus ook in België, zijn deze pieken van de koolstofisotopen te vinden in de houtstructuur van onze bomen, die de marker door middel van fotosynthese vastlegden. Oppenheimer en zijn team deden enkel hun job toen ze de Atoombom creëerden en zo ongewild ook de marker om de mogelijke start van het Anthropoceen aan te geven. De boom is in dit verhaal slechts de eenzame en onverstoorbare chroniqueur van het relaas. De correspondent.

Ondertussen is de golden spike officieel bepaald in 1945, waarbij de ontwikkeling van kernbommen en het gebruik van atoomenergie effectief als marker wordt gehanteerd. Timothy Morton vindt het een erg verbazend idee dat we een zo afgelijnde periode kunnen geven als start van een geologisch tijdperk die zich normaal over miljoenen jaren kunnen uitstrekken.[13] Niet alleen over de start van het antropoceen werd en wordt nog steeds hevig gediscussieerd, ook over de naam en het concept wordt nog stevig gebakkeleid waarbij verschillende disciplines er andere benaderingen en definities aan dit tijdperk toewijzen. Jason Moore [14] lanceerde de term “capitalocene” waarbij hij het systeem van het kapitalisme aanwijst als voornaamste oorzaak voor het ontstaan van deze penibele situatie waarin we zijn terechtgekomen. Donna Harraway spreekt dan weer over het neologisme “Chtulucene” [15]en Anna Tsing heeft het over “Plantationocene”.[16]

Los van dit theoretische discours zouden we echter bang moeten zijn voor de gevolgen en de bevreemding van klimaatverandering en het antropoceen schrijft Timothy Morton in zijn boek Dark Ecology(2016).[17] Een onmiddellijke en pragmatische oplossing voor de problematiek kan ook hij niet geven, enkel belangrijke puzzelstukjes om de problematiek via andere wegen te benaderen, te herdenken en vanuit de duisternis van de wanhoop op zoek te gaan naar nieuwe verhoudingen tussen ons en onze habitat, waar we een onlosmakelijk deel van zijn.

We zouden op, en langs de barricaden moeten staan om op te roepen tot structurele actie om de onvoorziene gevolgen van de vernietiging van ecosystemen, massale uitbreiding en groeiende sociale ongelijkheid te beperken. Maar al te vaak klikken we als samenleving echter weg, van deze problematiek en blijven we ons comfortabele leven leiden alsof er niets aan de hand lijkt te zijn. Toch voelen we de gevolgen van het antropoceen steeds harder als samenleving. We blijken als menselijke soort niet immuun voor de gevolgen van de ons veroorzaakte klimaatopwarming, vervuiling en andere problematieken die onlosmakelijk aan ons handelen en systeemdenken te wijten zijn. De nederlaag van natuur vormde een pyrrusoverwinning, waarbij we moeten erkennen dat ons hiërarchische antropocentrische denken en handelen, dat leidde tot het antropoceen in feite zelfvernietigend was.[18]

Hoewel de talloze pogingen om de handrem aan te trekken tot nu toe nog niet het gewenste effect lijken te hebben[19], mogen we niet versagen en dienen we met zijn allen te blijven zoeken naar nieuwe manieren om het tij misschien te kunnen keren. We bevinden ons momenteel in een voor ons nog niet gekende, onzekere situatie, waarbij we ons als mens opnieuw zullen moeten leren oriënteren, verbinden, samenwerken en solidair zijn met mensen en niet-mensen. We spreken dus niet meer van een samenleving tussen mensen maar van een samenleving+ [20], waarin alle actoren die zich in onze ecologie bevinden zijn vervat.

De tegenstelling die inherent aan het concept van het antropoceen is verbonden, is dat we enerzijds als mens in slechts enkele generaties zo dominant zijn geworden op onze planeet dat we haar, en alle actoren samen in een oogwenk volledig kunnen vernielen door een ongecontroleerde splitsing van atomen. We bepalen als soort welke gewassen waar mogen groeien, en welke niet. We kweken dieren naar onze behoeften, we zijn de oorzaak, en getuige van een massale extinctie van plant- en diersoorten. We vervuilen onze habitat met synthetische en chemische stoffen, extraheren fossiele brandstoffen om onze energieverslindende machines te voeden en vinden materialen uit die over duizenden jaren er nog zullen rondslingeren in de habitat van andere soorten. We vliegen in enkele uren de wereld rond, plannen ruimtereizen naar Mars en zijn als mens tot ongelooflijk knappe dingen in staat. Anderzijds moeten we toegeven dat we voorlopig nog geen antwoord kunnen bieden om de schadelijke neveneffecten van ons menselijk handelen in te schatten of te verminderen. Deze paradox maakt het concept antropoceen zo moeilijk voor ons om te begrijpen, te overzien of om er een antwoord, al dan niet artistiek, op te kunnen vinden.

Adrift again 2000 Man
You lost your maps, you lost the plans
Did you hear them yell
"Land, damn it land?"
You say you can't
Well I hope you can
I hope you can

How's it goin' 2000 Man?
Welcome back to solid ground my friend
I heard all your controls were jammed
Well it's just nice to have you back again

But I guess they still don't understand
And they can never understand
And they said go find 2000 Man
And they said tell him we've got new plans
But instead I'm here to tell you, friend

I believe they want you to give in

Are you givin' in 2000 Man?

(Did you love this world
And did this world not love you?)

Givin' in 2000 Man?

(Did you love this world
And did this world not love you?)

Are you givin' in 2000 Man?
Are you givin' in 2000 Man?
Are you givin' in 2000 Man?
Don't give in 2000 Man

He’s Simple, He's Dumb, He's the Pilot, Grandaddy



Morton geeft nog een andere verklaring waarom het zo moeilijk is om tegen het antropoceen te ageren. Hij noemt klimaatopwarming en het Anthropoceen hyperobjecten.[21] Een hyperobject is een zo groot fenomeen dat het haast niet te overzien is. Je kan er deeltjes of elementen van onderzoeken, maar het geheel is niet te bevatten. We zitten er middenin, en kunnen niet vanop een veilige afstand het probleem analyseren omdat we ook rechtstreeks deel zijn van de problematiek. We zijn het probleem, we zitten er middenin. De mist die het hyperobject omhult, de ondoorzichtigheid en de onmogelijkheid om de gevolgen volledig te overzien maakt het anthropoceen en de klimaatopwarming vatbaar voor foute veronderstellingen en valse beloften, waardoor het maatschappelijke debat blijft polariseren.

Morton schrijft de onmogelijkheid, tot het volledig kunnen bevatten en visualiseren van het antropoceen, ook toe aan het feit dat de problematiek zich over verschillende tijdschalen heen strekt. De tijdschalen waarin het anthropoceen handelt, zijn vele malen groter en complexer dan die van een mens.[22] Het is moeilijk om de gevolgen van ons menselijk handelen in te schatten over een periode die verder reikt dan wij. De gevolgen van ons menselijke handelen zijn dikwijls pas met veel vertraging merkbaar, en we worden ons er pas laat van bewust, maar hopelijk nog niet te laat.

De gevolgen van de klimaatopwarming of vervuiling zijn meestal niet onmiddellijk voelbaar, maar laten zich met een vertraging, die menselijke generaties overtreft, pas voelen. Als we het antropoceen willen proberen te begrijpen kunnen we dus niet om het begrip tijd heen. Van de oude Grieken erfden we enkele interessante tijdsbegrippen die we kunnen hanteren als handvaten om het hyperobject, dat het antropoceen is, proberen te bevatten. Deze tijdsbegrippen zijn afgeleid van Oud-Griekse mythologische Goden, maar nog steeds bruikbaar en relevant als theoretisch concept en begrip van tijd. En misschien wel net omwille van het feit dat we als mens in het antropoceen ons zelf tot half-Goden hebben benoemd.[23]

Het meest vertrouwd met het verschijnsel tijd zijn we in de Westerse wereld met Chronos, een concept dat afgeleid is van de God Chronos, die zijn eigen zonen verorberde uit angst door hen te worden omvergeworpen. Chronos is voor ons al wat de klok slaat, ze werkt lineair chronologisch logisch en staat voor het exacte denken en handelen binnen de afgebakende agri-logistieke ruimte. Het is de tijd die we gebruiken om onze samenleving te organiseren, om te meten en te kunnen fragmenteren. Het is de tijd van de openings- en sluitingsuren, de tijd dat je werk begint, je zoon moet afhalen van school. De tijd van het instituut of elke wielerwedstrijd.  

Het is een objectieve maat van de dingen die elkaar blijven opvolgen, elke seconde, elk uur, dag of eeuw. Het is een mooi voorbeeld van een imaginaire orde, die ons leven tot op de seconde bepaalt, zonder dat er vragen over worden gesteld. Onze lente start in de chronologische tijdruimte exact op 21 maart. Alles gaat voorbij, maar is gelukkig meetbaar. Chronos staat voor de meetbare tijd, voor de golden spike die het exacte moment moet aangeven dat het antropoceen begint. Hoewel we al lang weten dat het antropoceen een veel langere aanloop en invloed heeft uitgeoefend op onze planeet, vandaar de vele discussies in de literatuur, is het streven naar de exacte datum een verafgoding aan Chronos. Door enkel over tijd te denken volgens de principes van Chronos, is het haast onmogelijk om het antropoceen en de hieraan verbonden consequenties te begrijpen.

De tweede interessante Tijdsgod of tijdsinterpretatie die we kunnen vinden bij de Oude-Grieken is Aion, of naar het Nederlands vertaald Eon. Aion staat voor deep-timeoftewel een extreem lange tijdsperiode. Denken in de geologische terminologie van Aion, betekent denken in periodes van miljoenen of miljarden jaren tot je ervan gaat duizelen. [24]  Binnen de geologie vormen de Eonen de grootste onderverdelingen op de tijdschaal. De tijd vanaf het ontstaan van de aarde tot het heden wordt in de geologie onderverdeeld in drie Eonen: het Fanerozoïcum (vanaf het heden tot het Cambrium), Proterozoïcum (tussen 2500 -en 542 miljard jaar geleden) en het Archeïcum (+/- tussen 4500 en 2500 Miljard jaar geleden). Denken in Eonen betekent dus afdalen naar een tijd waarin onze planeet ontstond, toen er nog geen sprake was van leven of zuurstof. In het licht van deze tijdschaal is de periode waarin de mens op de aarde rondloopt onooglijk petieterig en lijken we als soort volledig verwaarloosbaar of ridicuul te zijn.

Het zou een prima denkoefening kunnen zijn om eens te staren in de duizelingwekkende diepte van deze tijdruimte om van ons antropocentrisch voetstuk af te vallen. Toch biedt dit denken geen hapklare brok om tegen het antropoceen te ageren, omdat dit standpunt tegelijkertijd ook afstand schept en ons verantwoordelijkheidsgevoel -als dat er is- ten opzichte van onze planeet kan laten wegkwijnen.[25] Veel gehoorde tegenargumenten die gebruikt worden om de klimaatopwarming te ontkennen vinden hun oorsprong in deze afstandelijkheid van denken en zorg voor onze habitat. Klimaatschommelingen waren er immers altijd, extincties komen en gaan waarbij elke extinctie de poorten openden voor nieuwe soorten. Het uitsterven van de dinosaurussen kwam de zoogdieren ten goede, en uiteindelijk van ons. Waarom moeten we ons dan verzetten tegen iets wat misschien wel een natuurlijk proces is? Extinctie is immers van alle tijden.[26]

Toch mogen we, als soort, niet in deze val van de vanzelfsprekendheid en easy thinking [27] trappen. De zesde extinctie, door wetenschappers gekoppeld aan ons handelen vanuit het agri-logistieke denken[28] in het antropoceen is een feit. Ze wordt niet veroorzaakt door een meteoriet, vulkaanuitbarstingen of andere externe factoren. Deze extinctie, komt uit onszelf, net zoals de klimaatopwarming en de vergiftiging van onze habitat vanuit onszelf ontstaat. Als we staren in de diepte van Eonen, krijgen we ook een gefragmenteerd spiegelbeeld van onze evolutie te zien, met alle bouwstenen die ons, tot ons hebben gemaakt. Deze houding van kijken in de diepte opent wel perspectieven om tegen het antropoceen te ageren. Het geheel is immers minder dan de delen, alles wat we zien in die gigantische tijdruimte is wat we zijn en waaruit we zijn opgebouwd. We zien het ontstaan van de aarde, het eerste leven, de cyanobacteriën die voor het eerst op grote schaal zuurstof produceerden, planten, insecten, reptielen, zoogdieren en tenslotte onszelf, die in een fractie van de hele geologische tijdlijn, in een event, één van de grootste geologische krachten op de planeet is geworden.

Misschien moet we op een andere manier naar de evolutietheorie kijken om onszelf beter te begrijpen. We zijn niet alleen die, in de tijd uitgestrekte evolutie van al deze gradaties, van bacterie, naar mens. In plaats van de stappen van de volledige evolutie van niet levend ding, naar bacterie, naar mens chronologisch achter elkaar in een tijdlijn te plaatsen, kunnen we misschien beter al deze silhouetten op elkaar stapelen en in onszelf projecteren. We zijn immers deels mens, deels bacterie, deels plant, deels reptiel, deels dier, deels dood en deels levend. Met andere woorden, we zijn zelf een verzameling van al deze evoluties en we dragen allemaal een stukje van deze soorten in ons mee. We zijn meer niet-mens, dan mens en daardoor een vreemde vreemdeling voor onszelf.[29]

We delen immers dezelfde bouwstenen en DNA. Als we naar onszelf de spiegel kijken, kunnen we deze restanten van andere soorten nog terugzien. In onze ogen bevindt zich, in de ooghoek nog een stukje van ons derde ooglid, zoals deze voorkomt bij reptielen om de oogleden vochtig te houden: de plica semilunaris. De resten van onze staart, die doorheen de tijd verschrompelt is, tot een stukje staartbeen is nog zo’n mooi voorbeeld. Of het feit dat ons dagelijkse handelen bij angsten nog steeds geregeld worden door een overblijfsel van een reptielenbrein. We zijn met andere woorden, nooit losgekomen van andere wezens. We delen stukjes van hen allemaal. We zijn een ecologisch wezen.[30] Als je kind nog eens de aap uithangt, weet je waarvan het komt. De appel valt immers niet ver van de boom.

Hoewel Aion in eerst instantie vooral afstand oproept is het concept tegelijkertijd erg dichtbij. Niet alleen in jezelf, maar ook overal rond je. Als ik met mijn zoontje wandel over onze favoriete terril van Winterslag, een oude mijnsite in Genk, wandelen we samen niet alleen in het nu, maar ook in een woud dat miljoenen jaren geleden zich op deze plek bevond ten tijde van het Carboon tijdperk. De bewijzen hiervan liggen, in de vorm van de vele fossielen, letterlijk aan de oppervlakte. De fossielen werpen een rijke visuele blik naar een verleden, waarin er nog geen sprake was van een menselijke verschijning. Deze beelden die op natuurlijke wijze miljoenen jaren geleden zijn ontstaan hebben me altijd gefascineerd omdat ze zonder aanraking van een camera, of een menselijke blik toch een zeldzaam perspectief bieden op iets wat we niet zouden kunnen zien. In die zin, zijn fossielen een niet-menselijke afdruk, en een niet-menselijke vorm van communicatie. Het is nu aan ons, om deze afdrukken en visuele tekens te bekijken, ervan te leren en ze betekenis te geven. Mijn eerste fossiel van een varen van miljoenen jaren geleden kreeg ik van mijn nonkel die toen nog in de lokale steenkoolmijnen werkte op een diepte van ruim een kilometer onder de grond.


Met een ongelooflijk technisch vernuft slaagden de mijnwerkers erin om de steenkoollagen die op meer dan 1000 meter diepte lagen te ontginnen, en naar boven te halen. Het gesteente werd gewassen en gezuiverd in grote industriële wasinstallaties met zouten en andere vervuilende stoffen, die zelfs decennia na de sluiting van de mijnindustrie, nog steeds te vinden zijn in het landschap. Getuige hiervan is het koolplantje dat ik in het project mijnKOOL plantte op de restgronden van de mijn van Waterschei en veruit het grootste aandeel van vervuilende stoffen zoals arsenicum, aluminium, cadmium en chroom bevatte van alle geplante stalen.[31] Deze analyse van het koolplantje werd uitgevoerd door prof. Ann Cuypers van de UHasselt. De schoongemaakte steenkool werd daarna gebruikt om warmte en energie op te wekken. Het steenafval dat te weinig steenkool bevatte werd daarna op een hoop gegooid, die maar bleef groeien in hoogte en grootte.

De top van de afvalberg van Winterslag ligt op een hoogte van 163 meter en torent als een monument van het antropoceen boven het landschap uit. In de jaren 2000 is deze zwarte afvalhoop opnieuw gedeeltelijk afgegraven om het restgesteente opnieuw te wassen en er de resterende steenkool uit te ontginnen. Er liggen niet alleen fossielen of gesteenten van miljoenen jaar geleden, maar ook nieuw gevormde gesteenten als dubbele verwijzing naar het industriële tijdperk. Deze slakken, zij ontstaan bij het verbranden van steenkool in de energiecentrales of hoogovens. De slakken bestaan uit de reststoffen die niet verbrand zijn, en zo nieuw stollingsgesteente vormen met een vorm die erg doet denken aan vulkanisch gesteente door hun glazige, glanzende met gaten doorboorde zwarte structuur. Deze sinistere sintels waren, net als enkele gevonden fossielen te zien als een verzameling in de expo ‘The Sustainist Gaze’ te Z33. Het lijken wel sculpturen, haast te mooi om te fotograferen.
 

Als ik me tijdens de middagpauze, tussen het lesgeven en het vergaderen door, even naar buiten wurm en de terril van Winterslag opwandel die langs onze mooie campus ligt, bevind ik me ineens letterlijk in compleet andere tijdschalen en staar ik rechtstreeks in de abyss van de tijdschalen. Ik hoef je niet te vertellen hoe relativerend dit kan werken om even te kunnen ontsnappen aan de eisen van de god Chronos tussen 12u30 en 13u30 om even met Aion bij te kletsen, en ondertussen te speuren naar afbeeldingen van miljoenen jaren geleden.


De Terril van Winterslag is nog steeds in industrieel privé-bezit en daarom nog niet openbaar toegankelijk, maar ze wordt door de inwoners van de stad al langer tot de commons gerekend. Het is een zone tussen natuur, cultuur en industrie in, een plek om tot rust te komen en ongegeneerd in de diepte te staren en tussen de tijdzones te wandelen. Ondanks de zwaar-industriële achtergrond is de natuur op de terril aan het herleven en groeien en vormt het een specifiek ecosysteem in de regio door de zoutminnende planten zoals de Duindoorn met haar vitamine-C rijke bessen en de vrij zeldzame Gaspeldoorn, waarvan de gele bloemen ook uitstekend geschikt zijn als kleurpigment.

Denken volgens Aion betekent echter niet enkel het staren naar de abyss van het verleden, maar ook de omgekeerde beweging zit er in vervat.[32] Staren in de abyss naar de toekomst is haast even duizelingwekkend. Volgens Giles Deleuze vinden we hier de tegenstelling tussen Chronos en Aion terug:

Chronos is the present which alone exists. It makes of the past and future its two oriented dimensions, so that one goes always from the past to the future-but only to the degree that presents follow one another inside partial worlds or partial systems. Aion is the past-future, which in an infinite subdivision of the abstract moment endlessly decomposes itself in both directions at once and forever sidesteps the present”.[33] (Giles Deleuze)

Aion refereert in de Griekse mythologie naar de eeuwigheid en het noodlot waaraan niet te ontsnappen valt, zoals de doodstrijd van onze zon over vijf miljard jaar.[34] Volgens de wetenschappers in het artikel dat ook verscheen in Nature Astronomy is de doodstrijd van een ster één van de mooiste fenomenen in het heelal om te kunnen aanschouwen. De doodstrijd van onze ster zal in verschillende zonnestelsels te zien kunnen zijn. Maar door wie?

Het derde Griekse begrip over tijd, is Kaïros. Kaïros staat symbool voor het kritische moment, het event, le moment décicif. Dit tijdsbegrip handelt over grote gebeurtenissen die een verandering of nood aan verandering impliceren, in een stroom van andere gebeurtenissen. Het antropoceen kan in die zin worden opgevat als een event binnen de onmetelijke tijd van Aion, en het zijn wij -als mens- die deze apocalyptische gebeurtenis hebben veroorzaakt. We zijn -als soort- de oorzaak van een massale extinctie, van klimaatopwarming, en verantwoordelijk voor het lijden van mensen en niet-mensen door ons onbaatzuchtige en ondoordachte handelen vanuit de agri-logistieke gedachte.

De urgentie groeit om iets aan deze crisissituatie te doen. Het beslissende moment om het antropoceen te laten eindigen komt dichterbij, of de gevolgen worden onomkeerbaar waardoor we in een apocalyptisch toekomstbeeld voor mensen en niet-mensen dreigen te terechtkomen, waarbij het lijden zal blijven toenemen als we geen actie ondernemen. We zijn door het antropoceen in een ecologische en culturele crisis terechtgekomen, maar ook hier kunnen we leren van de oude Grieken. Het woord crisis, heeft in onze samenleving een negatieve betekenis, maar de oorspronkelijke betekenis is eigenlijk een nieuw begin of keerpunt. Laten we hier hoop uit putten.

Volgens de chronologische tijd, is het vijf na twaalf om te handelen. We kunnen de klok niet terugdraaien en de extinctie of klimaatopwarming omkeren. We zijn met andere woorden te laat voor onze daden uit het verleden uit te wissen. Aion bezorgd ons dan weer kopzorgen over de onmetelijke tijd- en ruimte schalen waar we als soort haast irrelevant lijken te zijn. Het heelal geeft geen moer over ons als soort of individu. Maar we kunnen wel hoop putten door het antropoceen volgens Kairos te ontleden en als een event [35] te beschouwen. Het betekent immers dat we het antropoceen kunnen zien als een cruciaal, kritisch punt, waar we ons denken en handelen kunnen/moeten veranderen. Het is het uitgestrekte, maar ook intense moment dat de kansen in het spel kunnen keren. Er is een mogelijkheid op zowel een naderende verlossing als apocalyps. [36] Alles daartussen gaat natuurlijk ook.

Het interessante aan Kaïros is dat het nog een soort tijd impliceert. Als Chronos staat voor chronologie en structuur, dan staat kaïros voor de droom, de liefde en creativiteit. Het is de tijd, waarin je jezelf kan verliezen in het spel en de chronologische tijd uit het oog verliest. De liefde overvalt je, het is een moment dat ingrijpt in de dagelijkse gewoontes en je leven overhoop gooit. Net zo, gebeurt het met nieuwe ideeën die je denken verstoren en nieuwe manieren van zien en zijninitiëren.[37] Deze intrinsieke onrust en openheid hebben we nodig om ons uit het antropocene denken te kunnen los maken. Laten we deze opgewekte onrust van het beslissende moment, en de hernieuwde -coup de foudre- voor onze planeet gebruiken als start voor een hernieuwde, meer duurzame, onzekere en speelse relatie met onze habitat en alle inwoners. Liefde en verliefdheid zijn immers net als het antropoceen hyperobjecten voor ons.  

Ongemakkelijke inzichten

We bevinden ons nu, als soort, dus op een cruciaal en kritisch punt waar we moeten toegeven dat we onze dominante en antropocentrische positie moeten verlaten en rekening moeten houden met de aardse agenda. Deze herziening, waar we onszelf solidair zullen moeten opstellen ten opzichte van andere wezens en planten om deze periode te kunnen overleven als soort doet pijn. [38] We moeten hen terug een handelingsvermogen toekennen en zichtbaar maken in onze samenleving+. Dit betekent hen ook een politieke status te geven als we nieuwe statuten moeten toekennen over het verdelen van het vruchtgebruik van onze planeet. We vallen van onze dominante positie af en moeten vanop een nederiger perspectief naar de wereld kijken, leven en samenleven. Dat is een serieuze krenking van ons antropocentrische ego. [39] Voortschrijdend inzicht is een pijnlijk proces, want het legt eerdere denkfouten bloot, maar het is niet zo erg als de klap die volgt op het stilstaan of het ontkennen van wat er gaande is.

Voorstanders van de Degrowth-beweging, en de club van Rome, dringen al geruime tijd aan op een geleidelijke overgang naar een sterk verminderde of op zijn minst slimmere circulaire consumptiemaatschappij met een reductie van energie- en materialengebruik, naar de opbouw van een samenleving die niet blind is voor het gebrek aan evenwicht tussen mens en planeet en die niet uitsluitend gericht is op kortzichtige, economische groeimarges en machtsverhoudingen. [40]

Het besef dat we de lineaire economie met haar industriële en lineaire productiemethoden en onze huidige westerse levensstijl en visie ter discussie moeten stellen, neemt toe. Een steeds groeiende groep toegewijde mensen zet zich in om het grote publiek bewust te maken van dit probleem, en zij stimuleren of werken actief aan de ontwikkeling van duurzamere, circulaire en socialere manieren om samen te leven en te werken met menselijke en niet-menselijke organismen. Als we nu niet handelen, zal de ecologische realiteit ons spoedig inhalen, waarschuwt ook het IPCC (The Intergovernmental Panel on Climate Change) in haar recente rapport. [41]

Om het antropocene event [42] als soort te kunnen overleven is het herdenken van ons huidige politieke en economische systeem dus nodig om onze samenleving+ duurzamer te maken. Er bestaat geen simpel antwoord op de vraag op welke manier dat dit zou moeten gebeuren, maar we moeten deze uitdaging wel aangaan. Al zijn de uitkomst en de paden ernaartoe onzeker. We hebben nood aan verbeeldingskracht en een nieuwe imaginaire orde om een andere omgang met de natuur en onze aarde mogelijk te maken, gekoppeld aan nieuwe technologische en wetenschappelijke inzichten die deze transitie mogelijk kunnen maken. Dat deze transitie stevige turbulentie en economische offers met zich zal meebrengen, en een herdenking van onze menselijke identiteit is al duidelijk voelbaar. Er is een sterke tegenreactie aan de gang op het wetenschappelijke klimaatbeleid dat ook internationaal op de politiek steeds zwaarder begint door te wegen.

Gepolariseerde lenzen.

We hoeven enkel maar te luisteren naar de overwinningspeech “De uil van Minerva” van de populistische politicus Thierry Baudet van het forum van democratie in maart 2019 op de Nederlandse televisie als tegenstem in dit debat. De “Uil van Minerva” die hij aanhaalt slaat op een concept uit de filosofie van Hegel, die stelt dat het inzicht er pas kan zijn als de gebeurtenissen reeds hebben plaatsgevonden-.

“De uil van Minerva spreidt zijn vleugels bij het vallen van de avond. En dat geldt niet alleen voor deze avond, beste vrienden, beste campagnegenoten, beste partijgenoten, beste kompanen. Nu pas in deze laatste uren van de dag, komen de polls binnen, komen de nieuwtjes binnen, hebben we kennis over wat er vandaag gebeurd is.

“Maar die uil van Minerva slaat niet alleen op deze avond zijn vleugels op. Het is breder. Vaak duurt het tot het moment dat het bijna voorbij is. Voordat we ons realiseren wat we hebben, en wat we hadden moeten koesteren. Als het bijna te laat is. En zo staan we hier vanavond. Te elfder ure, letterlijk. Te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek, die vol zelfvertrouwen was, en die de mooiste architectuur, de mooiste muziek en de mooiste schilderkunst heeft voortgebracht die ooit onder de sterrenhemel heeft bestaan. Ons land maakt onderdeel uit van die beschavingsfamilie.



“We worden ondermijnd door onze universiteiten, onze journalisten, mensen die kunstsubsidies ontvangen en die onze gebouwen ontwerpen, en bovenal onze bestuurders.



Honderden miljarden, ik denk zelfs duizenden miljarden in totaal willen zij offeren op het altaar van deze halfgod. In de vorm van windmolens, warmtepompen, zonnepanelen en andere onrendabele projecten die ons niets brengen en die de planeet niet verder helpen, maar die ons wel heel veel geld kosten en dus ons heel erg straffen. Deze duurzaamheidsafgoderij stort niet alleen onze economie in de ondergang. Hij is ook bedoeld om onze geest, ons zelfbewustzijn nog verder te krenken.”

(Thiery Baudet, 20-03-2019)


Bij de indiensttreding van Trump en zijn discours rond klimaat-negationisme konden we misschien nog denken aan een tijdelijke opstoot van verzet, gevoed door het gemakkelijke denken vanuit de agri-logistieke logica. Een tijdelijke volharding in boosheid, het halsstarrig blijven geloven in de oude denkwijzes en het niet -kunnen- of -willen- zien van een alternatief. Soms lijkt het wel alsof we in het tijdperk van de grote onzin zijn aanbeland, met fake-news, het ontkennen van de wetenschappen en leugenachtige waarheden in een voorverpakt politieke kant-en-klaar maaltijd. Deze ideologieën van klimaatontkenning lijken een felle rechtse wind in de zeilen te hebben. Het meest bizarre is misschien wel dat deze hetze niet zomaar lijkt over te waaien, maar net toeneemt in windkracht, net zoals, ironisch genoeg, de klimaatopwarming voor steeds krachtigere orkanen zal zorgen. Hoe kon dit gebeuren, en waarom lijken een opsomming van rationeel en duidelijk aantoonbare feiten het tegenovergestelde effect te hebben op een deel van de menselijke bevolking? Waarom slagen we er vanuit de wetenschappen, kunsten of politiek zo moeilijk in om hierop een gepast antwoord te formuleren of te reageren.

We weten dat veel van de argumenten die Baudet aanhaalde in zijn speech fundamenteel onjuist zijn. Zowel op wetenschappelijk, historisch als filosofisch vlak zitten er grote gebreken, onwaarheden en blinde vlekken in zijn discours, maar de retoriek die hij gebruikt heeft een waarachtige pretentie. Wat het zo moeilijk maakt om hiertegen in te gaan, is dat een eerste reactie zou kunnen zijn: ‘Hoe komt het toch dat 15% van de Nederlandse bevolking op deze man en zijn idealen kon stemmen? Waar zit hun verstand? Zouden ze zich niet beter informeren of inlezen?’ Het probleem is dat deze kiezers zich net wel informeren maar de verkeerde informatiebronnen, gebruiken of aangeboden krijgen. Het klimaatnegationisme, geldt voor hen als de waarheid, en niet een alternatieve waarheid, zoals wij ze zien. Neen, de waarheid, die het kritische denken tracht monddood te maken door de list van het gemakkelijke denken te vermommen als kritisch en zo het gewicht van beide opheft. Een gevaarlijk spel van betekenissen en valstrikken. Van woord tegen woord, gestaafd met valse data, valse beelden en valse argumenten die waarachtig klinken. Klimaatridders, wetenschappers, kunstenaars en architecten zijn vanuit dit denken net de ketters en ongelovigen. De bedenkers van het complot, deze klimaathekserij. “Zij willen onze mooiste en allergrootste beschaving ooit onderuithalen”, stelt Baudet in zijn speech. Welke dan?

Dit maakt het net zo moeilijk om in discussie en dialoog te gaan met de aanhangers van deze denkbeelden. Rationele argumenten en wetenschappelijke feiten zijn in bepaalde kringen haast evenveel waard als het woord van Baudet, Trump, Bolsonaro of andere invloedrijke klimaatnegationistische politieke en populistische stemmen. Het gaat niet langer over wetenschappelijke gestaafde bewijzen in het debat. Het is al te dikwijls mening tegen mening, woord tegen woord en blikveld tegen blikveld. Iedereen heeft een mening, en in sommige milieus zijn deze evenveel waard als wetenschappelijk onderbouwde feiten, wat geen ongevaarlijke situatie oplevert. Het is nu eenmaal makkelijker om in een heldere oplossing te geloven, ook al is er niets van aan, dan te moeten erkennen dat er -nog- geen oplossingen voorhanden zijn. Of toch geen enkelvoudige simpele oplossing.

Hoewel we op dezelfde planeet wonen, dezelfde problemen ondervinden percipiëren we een alternatieve realiteit ten opzichte van de anderen, die steeds verder van elkaar lijkt te liggen. We kijken met andere woorden met een andere bril, met gepolariseerde lenzen, die alleen één enkelvoudig standpunt laten zien, naar hetzelfde probleem. Klimaatnegationisten vanuit deze gepolariseerde blik terug aan boord krijgen, en betrekken in een samenleving+in plaats van een samenleving- zal een belangrijke uitdaging vormen voor onze samenleving.

We hebben immers nood aan bruggen, niet aan omwalde vestingen of ingegraven loopgrachten van tegengestelde meningen, waarbij bombardementen van zwaar geschut in de vorm van grof taalgebruik en verwijten het middenveld openrijten. Hoe we deze bruggen en verbindingen gaan kunnen/moeten bouwen zal een belangrijke uitdaging vormen voor onze samenleving, waar ook de kunsten aan kunnen/moeten deelnemen.

Op zoek naar een nieuwe oriëntatie en verbindingen.

De klimaatwetenschappen bevinden zich in momenteel in een kritieke zone, schrijft Wetenschapsfilosoof Bruno Latour.[43] Hij stelt dat niemand het Higs-Boson deeltje in twijfel trekt, omdat dit een abstract, moeilijk en onzichtbaar wetenschappelijk dingetje is, maar over het klimaat lijkt iedereen wel een ervaringsdeskundige. Het lijkt alsof er twee parallelle, doch tegengestelde werkelijkheden langs elkaar groeien, waardoor de kloof of polarisering steeds groter wordt. Het klimaatdebat is geen neutrale grond meer, maar veranderd in oververhit debat. Er is veel veranderd binnen de maatschappij sinds ik startte met mijn onderzoek, zo’n vijf jaar geleden. Ecologie en klimaat waren nog geen strijdbare woorden, hoogstens irritant of volkomen bijkomstig voor velen en absoluut irrelevant voor een wereldmarkt in groei. ’t Is zo anders nu. Een weerpraatje, stelt Ten Bos, kan nooit meer banaal of onschuldig zijn maar is steeds politiek georiënteerd en verankerd.

Deze groeiende polarisering wordt steeds groter door bijvoorbeeld de filterbubbel die is gegroeid uit de sociale media en hun algoritmes. Algoritmes, gebruikt binnen sociale media, zorgen ervoor dat we steeds minder en minder in contact komen met andersdenkenden of tegengestelde meningen. Dit gebrek aan ruimte tot discussie maakt het geloof in de eigen overtuiging steeds sterker, ook al is deze informatie gebaseerd op foute, of deels onjuiste informatie. Deze foute onbedoelde constructie of slecht design van deze algoritmes maakt dat onze visie steeds enger (in beide betekenissen van het woord: Zowel een smaller perspectief, als angstiger) wordt, zonder dat we het zelf door hebben.

We mogen hierdoor klimaatnegationisten niet zomaar weglachen of negeren. Want hun angsten en perspectieven vormen, vanuit hun gepolariseerde bril, voor hen een realiteit, die invloed heeft op het denken, voelen en zien van de wereld. Hoe meer we ze weglachen, of negeren, hoe meer ze overtuigd zullen raken van het eigen gelijk en hoe meer we hen wegduwen van de discussie. In plaats van te polariseren, en elkaars overtuigingen te overroepen hebben we misschien meer nood aan verbindingen en een dialoog. Geen harde standpunten, maar net de onzekerheid en twijfel omarmen om een dialoog of overleg mogelijk te maken. Niet alleen met een wisselwerking tussen mensen, maar ook met de andere niet-menselijke actoren uit onze gedeelde habitat, in een samenleving+.

Volgens wetenschapsfilosoof Bruno Latour bevinden we ons als menselijke soort in een uiterst onstabiele periode, een periode van deregulering en binnen onze maatschappij ondervinden we hinder van een groeiende ongelijkheid, nadelige effecten van globalisering en klimaatopwarming. Deze onstabiliteit zorgt voor een panisch verlangen naar de nostalgische bescherming van de natiestaat.[44] Het algemene discours van uiterst rechts maakt dankbaar gebruik van deze angst, maar ze spiegelen hun kiespubliek een simpele en heldere oplossing voor. Helaas bestaan er geen simpele oplossingen voor een complexe problematiek. We moeten deze complexiteit misschien meer durven uitspreken, en eerlijk toegeven dat de zoektocht naar mogelijke antwoorden en verbeteringen niet makkelijk zal zijn, maar wel noodzakelijk. We moeten durven toegeven dat we verdwaald zijn, en dat de angst die we voelen voortkomt uit de ecologische crisis die we zelf hebben veroorzaakt.

Maar vanwaar komt deze angst? Deze onstabiliteit? Decennialang hebben we als samenleving immers vol overtuiging en zelfvertrouwen geloofd in een koopkrachtige wereld voor iedereen door de zelfregulerende werking van de markten. Iedereen zou beter worden van een vrije economie die gedreven wordt door een zucht naar groei. Door het strakke neoliberale denken, en de continue focus op het belang van het individu werd de sociale bescherming door de staat langzaam ontmanteld onder het mom van liberalisering en natuur werd gezien als een goedkope of zelfs gratis bron van grondstoffen. Maar ook gratis heeft een prijskaartje. We streefden naar continue groei en waren zo verblind door de stijging van comfort en materiële welvaart, dat we geen oog hadden voor de neveneffecten van deze dynamiek voor de achterblijvers van de globalisering of voor de schadelijke effecten op onze habitat.

We hebben onze gemeenschappen, leefomgeving, en onze identiteit vrijwillig opgegeven om mee te stappen in de glanzende optocht van eeuwige economische groei om deel te kunnen worden van deze globale wereld, gebouwd op consumentisme en modernisme, gedreven door de agri-logistiek. Decennialang hebben we samen aan deze voorgespiegelde droom gewerkt, als was het de enige weg naar de toekomst. Wat er nu is veranderd, is het feit dat onze wereld -de goedkope natuur- waar we in ons economisch model van eeuwige groei nooit rekening mee hebben gehouden, zich begint te roeren in de discussie. Natuur, en het aardse krijgt opnieuw een handelingsvermogen.

Dat betekent, dat het langzaam begint door te dringen dat de droom die we samen koesterden, en die onze identiteit en samenleving vormgaf, eigenlijk niet deugde van in het begin. Het was een zoete, comfortabele valstrik waarin we zijn verzeild geraakt door het agri-logistieke denken, aldus Morton.[45] Het agri-logistieke systeem, en het denken is een specifieke manier van landbouw in combinatie met het uitbouwen van een gepland logistiek systeem dat volgens Morton de -onbedoelde- aanzet is geweest in de creatie van het antropoceen. Het zit zo ingebakken in ons denken en handelen, dat we er als samenleving niet meer buiten kunnen. Volgens Latour zijn we zelfs nooit modern geweest.[46] Het narratief dat inherent gekoppeld is aan het neo-liberale denken door de mens te weerspiegelen als een homo economicus,[47] is blijkbaar niet in staat om op een gepaste manier om te gaan met deze nieuwe situatie waarin de aarde haar handelingsvermogen op onze samenleving terugkrijgt.

In het najagen van onze kapitalistische droombestemming hebben we veel achtergelaten, en vernietigd. Nu blijkt echter dat deze bestemming, de droom van eeuwige groei, nu niet meer lijkt te bestaan. Latour omschrijft dit proces van ontreddering met een treffende metafoor in de vorm van een vliegtuig dat is opgestegen naar de bestemming in zijn boek “Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime.”[48] Maar naarmate de vlucht vordert beginnen de passagiers te beseffen dat de voorgestelde landingsplaats niet meer bestaat. De voorgestelde route leidt uiteindelijk naar het bodemloze, en de catastrofe. Van het voorgespiegelde liberale ideaal van eeuwige groei blijkt niets meer over.

We zijn met andere woorden met zijn allen misleid door de liberale droom die ons eeuwige groei voorspelde. Sommigen van ons, voelen zich bedrogen, omdat er wel een ernstig prijskaartje aan die droom hing. Daar, op dat punt: Het verlies van het collectieve narratief van de eeuwige groei en goedkope natuur. Daar komt de woede en de angst vandaag vandaan. Ze is niet onterecht. De voorgestelde route van economische groei loopt dus dood, omdat we de limieten van onze habitat hebben bereikt. Onze planeet, vooralsnog de enige leefbare omgeving voor de mens, begint zich in het script te moeien. De aarde verandert van een statische achtergrond naar één van de belangrijkste protagonisten in ons verhaal. Dat is een belangrijke plotwending en haast zo ingrijpend voor het verdere verloop dat zelfs de meest die-hard filmfan zich in zijn stoel zou vastklampen.

Deze metafoor leest als een rampenfilm uit Hollywood, waarbij de situatie op het vliegtuig langzaam begint te escaleren en het script zich langzaam naar de grote catharsis evolueert. De voedselvoorraden, bestaande uit voorgemaakte maaltijden en snacks in plastic verpakkingen beginnen op te raken. De brandstofmeter in de cockpit begint langzaam in de rode zone te komen. De toiletten raken verstopt en een hardnekkig buikgriepvirus doet de ronde. De door de klimaatopwarming veroorzaakte stormen zorgen voor veel turbulentie en de spanningen tussen de passagiers lopen hoog op. De piloten en het overige cabinepersoneel proberen de kalmte terug te brengen, maar het zweet staat hen ook al op het voorhoofd. De landingsplaats is immers volledig van de radar verdwenen, en de boordinstrumenten geven onherkenbare en foute waarden aan. Enkele passagiers verliezen hun geduld en proberen met zelfgemaakte wapens de bemanning te bedreigen om terug te keren, waardoor er een handgemeen ontstaat tussen zij die halsstarrig willen verder vliegen, en zij die willen teruggaan. Nog anderen dobbelen om de bestemming te beslissen. Maar ook de vertrekplaats is er niet meer.

Verschillende jongeren op het vliegtuig proberen ondertussen hun stem te verheffen, roepen op tot reflectie en verandering van koers, maar hun klaagzang wordt straal genegeerd. Anderen hebben dan weer hun fluovestje aangetrokken en de achterste rij vliegtuigstoelen in brand gestoken in de hoop een beetje aandacht te krijgen. Op het benedendek laven enkelen zich mateloos aan de resterende flessen alcohol en proberen van hun laatste ogenblikken een feest te maken, terwijl een dozijn anderen zich hopeloos een God aanwenden, ontstaat een ware oorlog op het vliegtuig van maffiabendes die elkaar beschieten met wapens van een zwaar kaliber, vult Peter Sloterdijk aan[49]. Ondertussen vliegt het geplaagde vliegtuig verder in de dichte mist van het antropoceen en stoot het genoeg C02 uit om het klimaat nog wat verder op te warmen. Kortom de situatie aan boord is uiterst penibel, en dan hebben we het nog niet gehad over de situatie van de achterblijvers in de resten van een ondergelopen stad. Wat er ontbreekt in deze metafoor met de typische Hollywood-film is de typische held, de protagonist, die alles tot een goed einde zal brengen. (vrije interpretatie naar de metafoor van Latour)[50]

We zijn het als Westerse mens misschien zo gewoon geraakt om ons zelf te zien als de belangrijkste hoofdrolspeler, en ons zelf als centrum van de wereld te zien. Het waren wij die bepaalden wat, wanneer, waar en hoe er iets gebeurde op de set die aarde heette. Maar nu merken we dat onze set -onze aarde- ook een handelingsvermogen heeft, moeten we ons perspectief dringend veranderen. Onze voorgespiegelde droombestemming bleek een valstrik met een gouden strikje errond. De sterke antropocentrische blik, die blaakte van zelfvertrouwen, zal plaats moeten maken voor een meer nederige positie, met meer respect en solidariteit voor alle mensen en niet-mensen.[51]

Politici, wetenschappers, filosofen, historici en kunstenaars, leerkrachten, burgers - in feite iedereen - moeten durven inzetten op een nieuw verhaal en een nieuwe visie op onze wereld. We hebben niet alleen een academisch discours nodig, maar vooral actie en bewustwording. Volgens Bonneuil en Frezoz[52] betekent dit dat we ons moeten bevrijden van repressieve instituties en van vervreemdende overheersingen en verbeeldingen. T.J. Demos[53] vraagt zich in zijn boek “against the anthropocene” af hoe we de rampen die traag voortbewegen en lang in tijd en ruimte uitgerekt zijn, rampen die aandachtig zijn en van onverschillig belang voor de sensatiegedreven technologieën van onze beeldwereld, kunnen omzetten in beelden en verhaallijnen. Een van zijn conclusies is dat er meer activisme nodig is, geen neutraliteit: "We hebben een opstand nodig tegen brutaliteit tegen het geweld van klimaatverandering".[54] Er is dringend behoefte aan een wereldwijde oproep en deelname tot actie. Maar hoe?

Mijn artistiek doctoraatsonderzoek wil op een niet-conventionele visuele en meervoudige manier proberen bij te dragen aan deze globale oproep. Om de vitale transformatie naar een meer duurzame wereld vorm te geven, hebben we immers nieuwe stromingen van zien, denken en ontwerpprocessen nodig, evenals een nieuwe visuele taal om deze stromingen te begrijpen, te documenteren en te verspreiden. Centraal in mijn onderzoek staan dus de vragen over de mate waarin ik als beeldend kunstenaar en onderzoeker op een actieve en maatschappijkritische manier kan ageren tegen het antropoceen en hoe ik dit hyperobject kan visualiseren. Hoe kan ik meeschrijven aan een nieuw verhaal dat een hernieuwde blik naar ecologie initieert en onze verbinding met onze habitat versterkt.











[1] Giacomo D’Alisa, Federico Demaria and Giorgos Kallis, Degrowth: A Vocabulary for a New Era (London-New York: Routledge, 2014).

[2]https://www.standaard.be/cnt/dmf20210730_94850145

[3] Lovelock, J. (2000) Gaia: A New Look at Life on Earth (3rd ed.). Oxford: Oxford University Press.

[4] https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/10/09/klimaatpsycholoog/

[5] One can also speak of Capitalocene, because it was mainly “forces of capital” that allowed this crisis to derail. Jason W. Moore, Anthropocene or Capitalocene? Nature, History, and the Crisis of Capitalism (Oakland, CA: PM Press/Kairos, 2016).

[6] Paul J. Crutzen, “Geology of Mankind,” Nature 23 (2002), 23. For an extensive history and interpretation of this concept, see Christophe Bonneuil and Jean-Baptiste Fressoz, The Shock of the Anthropocene: The Earth, History and Us, trans. David Fernbach (London: Verso, 2017).

[7]Morton, T. (2018). Duistere Ecologie. Amsterdam: Boom Uitgevers. pp 69.

[8] Jason W. Moore, Anthropocene or Capitalocene? Nature, History, and the Crisis of Capitalism (Oakland, CA: PM Press/Kairos, 2016).

[9] De Cauter, L. (2020) Ending The Anthropocene, Essays on Activism in the Age of Collapse.

[10]Mancuso, S. (2019), Reizend Groen. Amsterdam: Uitgeverij Cossee. pp 115

[11] https://www.guinnessworldrecords.com/world-records/66393-remotest-tree



[12] Turney, C.S.M., Palmer, J., Maslin, M. et al. (2018) Global Peak in Atmospheric Radiocarbon Provides a Potential Definition for the Onset of the Anthropocene Epoch in 1965. Sci Rep 8, 3293 (2018). https://doi.org/10.1038/s41598-018-20970-5

[13] Morton, T. (2021) All Art is ecological, Dublin: Penguin Books. pp. 6.

[14] Moore, J.W. (2016) Anthroposcene or Capitalocene? Nature, History and the Crisis of Capitalism. Oakland, CA: PM Press/Karios.

[15] Haraway, D. (2016) Staying with the trouble, Making Kin in the Chtulucene, London: Duke University Press

[16] Haraway, D. (2017) Anthropocene, capitalocene, plantationocene, chthulucene: Making kin, Paris: Multitudes 65(4), 75-81.

[17]Morton, T. (2018) Duistere ecologie, Amsterdam: Boom Uitgevers

[18] Adam, Raoul & Whitehouse, Hilary & Stevenson, Robert & Chigeza, Philemon. (2020). The Socioecological (Un)learner: Unlearning Binary Oppositions and the Wicked Problems of the Anthropocene. 10.1007/978-3-030-12212-6_3.

[19] IPCC, 2021: Climate Change 2021: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Masson-Delmotte, V., P. Zhai, A. Pirani, S.L. Connors, C. Péan, S. Berger, N. Caud, Y. Chen, L. Goldfarb, M.I. Gomis, M. Huang, K. Leitzell, E. Lonnoy, J.B.R. Matthews, T.K. Maycock, T. Waterfield, O. Yelekçi, R. Yu, and B. Zhou (eds.)]. Cambridge University Press.  

[20]Een samenleving+ is een neologisme om een samenleving aan te duiden, die niet enkel gericht is op het menselijke samenleven, maar ook rekening houdt met het samenleven van alle actoren (dus ook niet-menselijke) in een habitat.

[21] Morton, T. (2013)  Hyperobjects. Philosophy and Ecology after the End of the World, Minneapolis: University of Minnesota Press.

[22] Morton, T. (2013)  Hyperobjects. Philosophy and Ecology after the End of the World, Minneapolis: University

[23]Harari, Y.N. (2018)  Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst, Amsterdam: Thomas Rap. p.p. 83-112

[24]https://www.britannica.com/science/geologic-time

[25] Michael Northcot, Eschatology in the Anthropocene; from the chronos of deep time to the Kairos of the age of humans, P101. The Anthropocene and the global environmental crisis.

[26] Michael Northcot, Eschatology in the Anthropocene; from the chronos of deep time to the Kairos of the age of humans, P101. The Anthropocene and the global environmental crisis. p. 102

[27]“Een standaardutilitarisme dat is ingebakken in de agri-logistieke ruimte”. Morton, T. (2018) Duistere ecologie, Amsterdam: Boom Uitgevers, p.74

[28]Volgens Ten Bos is “het agri-logistieke denken is een zeer uitgekiende manier van denken die het denken grotendeels overbodig maakt, en waarbij easy-thinking de maatstaf is.” De agri-logistiek gaat uit van zekerheden, die niet in vraag gesteld mogen worden. Een imaginaire orde, die zo succesvol was, dat het ineens ook de start van de ecologische catastrophe werd. Ten Bos, R. (2017) Dwalen in het antropoceen, Amsterdam: Boom uitgevers.

[29] Hij is zichzelf, en geheimzinnig tegelijk ook niet zichzelf” Een mens is samengesteld uit verschillende niet -menselijke organen en onderdelen. Morton, T. (2018). Duistere Ecologie. Amsterdam: Boom Uitgevers. pp 35.



[30]Morton, T. (2018) Ecologisch wezen, Utrecht: Uitgeverij Ten have, p. 153



[32] Deleuze, G. (1990) The Logic of Sense, Londen: Athlone Press, pp. 77

[33] Deleuze, G. (1990) The Logic of Sense, Londen: Athlone Press, pp. 77

[34]https://www.demorgen.be/nieuws/over-5-miljard-jaar-zal-de-zon-een-spectaculaire-doodsstrijd-leveren~b679003d6/

[35] [35] Bauer, A., Edgeworth, M., Edwards, L., Ellis, E., Gibbard, P., & Merritts, D. (2021). Anthropocene: Event or epoch? London: Nature 597(7876), 332.

[36]Michael Northcot, Eschatology in the Anthropocene; from the chronos of deep time to the Kairos of the age of humans, P101. The Anthropocene and the global environmental crisis. -p. 102

[37] Ingold, T. (2021) Correspondences, Cambridge: Polity Press, p. 9

[38]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 80

[39]De krenking van het antropocentrische ego wordt alvast veel minder groot vanuit het perspectief van de vreemde vreemdeling van Morton, waarbij de mens bestaat uit grotendeels niet-menselijke onderdelen. Morton, T. (2018) Duistere ecologie, Amsterdam: Boom Uitgevers

[40] D’Alisa, G., Demaria, F., Kallis, G. (2016) Degrowth: A Vocabulary for a New Era, London-New York: Routledge.

[41] IPCC, 2021: Climate Change 2021: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Sixth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Masson-Delmotte, V., P. Zhai, A. Pirani, S.L. Connors, C. Péan, S. Berger, N. Caud, Y. Chen, L. Goldfarb, M.I. Gomis, M. Huang, K. Leitzell, E. Lonnoy, J.B.R. Matthews, T.K. Maycock, T. Waterfield, O. Yelekçi, R. Yu, and B. Zhou (eds.)]. Cambridge University Press. In Press.

[42] Bauer, A., Edgeworth, M., Edwards, L., Ellis, E., Gibbard, P., & Merritts, D. (2021). Anthropocene: Event or epoch? London: Nature 597(7876), 332.

[43]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 80

[44]Rancière, J. (2017) De haat tegen de démocratie. Amsterdam : Octavo Publicaties.  

[45]Morton, T. (2018) Duistere ecologie, Amsterdam: Boom Uitgevers, p.111

[46]Latour, B. (2016) Wij zijn nooit modern geweest, Amsterdam: Boom Uitgevers

[47]Monbiot, G. (2018) Uit de puinhopen, een nieuwe politiek in een tijd van crisis. Nederland: lemniscaat, p. 27

[48]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 43

[49]Ten Bos, R. (2017) Dwalen in het antropoceen. Amsterdam: Boom Uitgevers, p43

[50]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 43

[51]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties

[52] Christophe Bonneuil and Jean-Baptiste Fressoz, The Shock of the Anthropocene: The Earth, History and Us, trans. David Fernbach (London: Verso, 2017), 229.

[53] T.J. Demos, Against the Anthropocene, Visual Culture and Environment Today  (Sternberg Press: Berlin, 2017), 13.

[54] T.J. Demos, Against the Anthropocene, Visual Culture and Environment Today  (Sternberg Press: Berlin, 2017), 13.


1.2 Op zoek naar een nieuw meervoudig, verstrengeld verhaal.


1576 woorden, leestijd: 6 minuten

Verstrikt in een web van betekenis.

Yuval Harari schrijft in zijn boek “Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst” (2018) [1] dat ieder mens geboren wordt in een bepaalde historische realiteit die beheerst wordt door de daarbij horende normen en waarden in een uniek economisch en politiek systeem. Ik wil hier graag ecologisch en cultureel systeem aan toe voegen. Deze realiteit nemen we voor waar, omdat we ze als mens als normaal, onvermijdelijk en onveranderlijk zien, waarmee we vergeten dat het ook dikwijls toevallige of onbedoelde gebeurtenissen zijn geweest die onze wereld, zoals ze nu is, hebben geschapen. De geschiedenis is daarbij niet enkel van belang voor onze maatschappij, politiek en technologie, maar ook voor onze gedachten, dromen en angsten. Deze geschiedenis van gebeurtenissen en verhalen heeft voor ons ‘het normaal’ geschapen, en net daarom is het zo moeilijk om ons een ander toekomstbeeld voor te stellen dan de agri-logistiek.

Er is geen alternatief, hebben ze ons verteld. Het neoliberalisme, ontsproten uit de agri-logistiek, is ons de voorbije decennia aangeleerd als de enige weg tot bevrijding van het individu, en de eeuwige groei lijkt de enige manier om de ongelijkheid uit de wereld te helpen. Latour noemt dit verhaal, ontsproten uit het neoliberalisme politieke fictie.[2] Om uit dit kleverige, maar blinkende web van betekenis [3] te kunnen ontsnappen zullen we als samenleving+ eerst moeten ontleren dat er maar één weg kan zijn en dat de geschiedenis niet is opgebouwd uit één groot verhaal maar over een versmelting van een oneindig aantal verhaallijnen, perspectieven, toevalligheden en actoren.[4]

We merken langzaam dat de route, die ons totale individuele vrijheid en de heerschappij van de aarde belooft ons ontegensprekelijk naar de afgrond zal leiden. Het probleem met een gebrek aan alternatieven, of verbeelding is dat er wanhoop uitbreekt onder de rangen en wanhoop leidt tot paniek of demagogen die claimen de juiste weg te kennen. We weten ondertussen dat beiden slechte raadgevers zijn en hebben dus dringend nood aan nieuwe verhalen, nieuwe dromen, mythen en verbeelding om nog een kans te maken om als soort te overleven in het antropoceen. Dit werd nog maar eens duidelijk bij een recente onheilspellende peiling in België, uitgevoerd door de RTBF in oktober 2021, waarbij één derde van de ondervraagden aangaf zich te kunnen vinden in een autocratie, in plaats van een democratisch kiessysteem.[5]

Het belang van verhalen.

Mensen denken immers in verhalen, omdat we op deze manier de wereld kunnen interpreteren, schrijft Monbiot.[6]Het zorgt voor verbindingen, vertrouwen en een gemeenschappelijke toekomst. Samenlevingen worden gebouwd rond verhalen, niet op feiten alleen. Ook het huidige politieke falen, en het verzanden in polarisaties is volgens Monbiot een ernstig gemis van verbeelding. Daarom is het net zo jammer dat er in het institutionele onderwijs, waar we kostbare nieuwe generaties opleiden, nog steeds te weinig aandacht wordt gegeven aan het ontwikkelen van creativiteit, spelen, nieuwsgierigheid, samenwerken en een kritische ingesteldheid. Het zijn misschien net deze weke eigenschappen die nodig zijn voor het vinden van nieuwe wegen en verhalen in een onzekere en onstabiele situatie zoals het antropoceen. Niet alleen in de kunsten, maar ook in de wetenschappen en andere disciplines.

Feiten en cijfers verschaffen ons vitale informatie, schrijft Monbiot, maar het zijn net verhalen die onze geloofsovertuiging en toekomst scheppen.[7] Daarom voelen veel klimaatwetenschappers zich soms zo machteloos als ze voor de zoveelste keer de tragische bewijzen tonen van de aankomende catastrofe, en er niets verandert. Sommige van hen nemen al afscheid van de huidige staat van de planeet, en bevinden zich al in het rouwstadium en worden activist zoals duidelijk werd door enkele getuigenissen van klimaatwetenschappers op de ASLE-conferentie aan de universiteit van Davis in 2019, waar ik aan deelnam. Het wordt duidelijk dat het niet langer enkel gaat over wetenschappelijke gestaafde bewijzen in het huidige politieke gevoerde klimaatdebat, maar ook over het verhaal. Er waren enkele getuigenissen van klimaatwetenschappers die in plaats van het vergelijken en objectiveren van de metingen, overgestapt waren, naar een rouw-proces, of zelf klimaat-activist werden.[8]Ze zochten andere manieren om dit afscheid een plaats  te geven, of om in actie te komen.

Daarenboven bevinden de klimaatwetenschappen zich volgens Latour in de kritieke zone[9], omdat iedereen expert -lijkt- te zijn van het klimaat omdat ze erin leven.[10] Het lijkt in vurige debatten of krantenkoppen soms mening tegen mening en woord tegen woord. En het is net, dit, het vertellen van verhalen en het creëren van een simpele, dikwijls niet bestaande, route dat demagogen zo goed kunnen. Het verhaal hoeft, zoals maar al te vaak blijkt, niet volledig met de waarheid te stroken. Elk procentje twijfel in de data is genoeg om een alternatieve waarheid te construeren die het bestaan van klimaatopwarming, of het antropoceen volledig ontkent.

Als tegenbeweging zullen we vanuit de wetenschappen, de politiek, gemeenschappen en de kunsten, misschien wel een nieuw realistisch, rizomatisch en betrouwbaar verhalen moeten construeren, dat niet enkel de doemscenario’s van de Antropocene horror omschrijven in data, maar ook een positief beeld kan schetsen van een haalbare sociale inclusieve toekomst waarbij iedereen telt, en nodig is. We mogen niet enkel onze blik richten op alarmerende data,  smeltende ijskappen, verhongerende ijsberen op de dool, verbrande koala’s, immense plasticbergen of chemische gifwolken, maar moeten misschien al loensend met één oog blijven uitkijken naar nieuwe wegen en een alternatief plot voor de mensheid en zijn/haar habitat, en tegelijkertijd kijken naar de ernstige ecologische bedreigingen. We moeten zoals bij de problemen durven stilstaan, of zoals Donna Harraway het omschrijft -Staying with the trouble-.[11] Ik zal deze loensende blik verder uit de doeken doen in het hoofdstuk: The Sustainist Gaze.

Volgens vooraanstaande denkers, met verschillende achtergronden zoals Monbiot[12], Rushkof[13], Latour[14], Stieglitz[15] en anderen zou dit nieuwe verhaal  kunnen gaan over samenhorigheidspolitiek, solidariteit en mededogen. Deze solidariteit zou echter niet enkel mogen gelden voor mensen, maar ook voor niet-mensen om een mogelijk leefbare planeet te kunnen behouden, aldus Latour, die ook een parliament of things [16] voorstelt om aan elk organisme handelingsvermogen te geven. Het doet denken aan Mancuso [17] met zijn manifest over de rechten van de plant, en de definitie van politiek zoals Rancière [18 ]ze omschrijft in het boek “De geëmancipeerde toeschouwer” (2015), waarbij politiek gaat over het zichtbaar maken van de onzichtbaren in de maatschappij en hen handelingsvermogen verschaffen.

We moeten dus uitgaan van een meer open samenleving+ [19], in plaats van een lege omwalde samenleving-.[20]Daarom kan dit nieuwe verhaal, dat zich afzet tegen het antropocentrische narratief, nooit enkelvoudig zijn, maar meervoudig, meerstemmig en vertakt zoals de rizomen van een plant. Het verhaal kan nooit statisch zijn, maar continu in transformatie en aftastend, zoals een gesproken verhaal ook continu evolueert en zich aanpast aan de context. Bij een nieuw verhaal, hoort ook een nieuwe vertelling, en nieuwe verbeeldingen die het kunnen vormgeven. Dit verbeelden is volgens Guattari [21] een continu esthetisch en existentieel proces. Zoals T.J. Demos [22] schreef is het zoeken naar nieuwe vormen van beeldtaal erg belangrijk om tegen het antropoceen te ageren, en vanuit mijn artistieke praktijk probeer ik me bij dit standpunt aan te sluiten door onder andere planten, algen of bacteriën in mijn proces op te nemen als co-auteur van het beeld, en hun zichtbaarheid in de maatschappij te verhogen door middel van organische fotografische procedé’s.












[1]Harari, Y.N. (2018)  Homo Deus, een kleine geschiedenis van de toekomst, Amsterdam: Thomas Rap.

[2]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 12

[3]Web van betekenis; Juval harari, Homo Deus, Yuval Harari stelt, dat het enige wat ons echt onderscheidt van andere soorten, is intersubjectiviteit: als mensen zijn we erin geslaagd om in grote groepen samen te werken en een intersubjectief web van betekenis of een imaginaire orde te vormen, waarbij de imaginaire kracht de belangrijkste motor is in het creëren van de toekomst.

[4]  Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties

[5]https://www.demorgen.be/politiek/peiling-kwart-van-de-belgen-voor-vervanging-van-parlementaire-democratie~b3a0a51f/

[6]Monbiot, G. (2018) Uit de puinhopen, een nieuwe politiek in een tijd van crisis. Nederland: lemniscaat, p.p.. 9-33

[7]Monbiot, G. (2018) Uit de puinhopen, een nieuwe politiek in een tijd van crisis. Nederland: lemniscaat, p. 9

[8] Carle, R. (2019) Science Art, Activism: Building the Web. Alse Conference 2019

[9]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 108

[10]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties, p. 108

[11] Haraway, D. (2016) Staying with the trouble, Making Kin in the Chtulucene, London: Duke University Press

[12]Monbiot, G. (2018) Uit de puinhopen, een nieuwe politiek in een tijd van crisis. Nederland: lemniscaat

[13] Rushkoff, D. (2019) Team Human, New York: W.W.Norton & Company

[14]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties

[15]Stieglitz, J.E. (2019) Winst voor iedereen, Progressief kapitalisme in een tijd van onvrede. Amsterdam: Athenaeum

[16] Massimilian, S. (2017). The Parliament of Things and the Anthropocene: How to Listen to ‘Quasi-Objects’. Techné: Research in Philosophy and Technology. 21. 10.5840/techne201752464.

[17]Mancuso, S. (2020) De universele rechten van de plant. Amsterdam: Uitgeverij Cossee

[18]Rancière j. (2015) De geëmancipeerde toeschouwer. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[19]Een samenleving+ houdt in dat de stem van alle actoren op onze planeet telt, en dus van een inclusieve samenleving.

[20]Een samenleving- gaat uit van een exclusieve samenleving, waarbij minderheidsgroepen of niet-menselijke actoren niet meetellen.

[21] Guattari, F. (2000) The Three Ecologies, London: The Athlone Press.

[22] Demos, T.J. Against the Anthropocene, Visual Culture and Environment Today, Berlin: Sternberg Press.



1.3 De (on)mogelijkheden van de kunsten



5787 woorden, leestijd: 23 minuten

De nood aan nieuwe paden, bruggen en denkrichtingen.

De kunsten zouden kunnen helpen met het vormgeven, schrijven en ontdekken van dit nieuwe meervoudig vertakte verhaal. Ze zijn immers in staat om nieuwe ideeën en feiten te vertalen en mee te werken aan een nieuwe maatschappelijke culturele identiteit, gericht op een socialere toekomst voor mensen en niet-mensen in een samenleving+. Uiteraard kunnen de kunsten deze taak of verantwoordelijk niet alleen dragen, maar kan het door intense verbindingen en correspondenties (of overeenstemming[1] met andere disciplines en contexten wel helpen om nieuwe wegen en vertakkingen zichtbaar te maken, en oude paden in vraag te stellen. Dit artistieke onderzoek is dan ook een pleidooi om het aantal verbindingen en correspondenties tussen de kunsten, de wetenschappen, pedagogie, politiek en sociale contexten op een actieve manier te verhogen.

“If today’s world is in crisis, it is because we have forgotten how to correspond. We have engaged, instead in campaigns of interaction. Parties to interaction face each other with their identities and objectives already in place, and transact in ways that serve, but do nothing to transform, their separate interests. Their difference is given from the start, and remains afterwards. Interaction is thus a between relations. Correspondance, however goes along.”[2](Ingold, T. Correspondences, 2021)

Hoe de kunsten met de situatie in de toekomst zullen omgaan, waarbij de uitdagingen niet alleen op artistiek, maar ook op politiek, filosofisch, sociaal, pedagogisch en ecologisch vlak liggen is een belangrijke vraag. De kunsten zullen hiervoor naar nieuwe manieren moeten zoeken om zich te oriënteren en te kunnen landen. Het onderzoek in de kunsten kan bijdragen in die dwalende, onzekere positie, waarbij we verder van de eigen disciplines moeten durven denken en correspondenties moeten aangaan met gemeenschappen en wetenschappelijke domeinen. We mogen ons daarbij niet te behoudsgezind opstellen door in de heersende culturele en kapitalistische dogma’s van het galerij- en musea-wezen te blijven geloven, maar ook durven nadenken over welke beweging de huidige samenleving nodig heeft om van richting te kunnen veranderen. Kunstinstellingen zoals bijvoorbeeld Z33, Timelab en Atelier Luma zijn enkele instituten die zich actief inzetten in deze zoektocht, maar ook in de Kunsthogescholen werkt men hard aan een nieuwe oriëntatie van wat de kunsten kunnen betekenen in een tijd van ecologische crisis, en hoe ze mee de toekomst kunnen vormgeven.

De kunsten kunnen het zich, in een tijd van verregaande ecologische en maatschappelijke verschuivingen, niet meer veroorloven om zich enkel terug te trekken in witte kubussen om daar verrukt naar haar met pus gevulde glinsterende navel te staren. Ze zullen naar buiten moeten, het debat aangaan, verbindingen leggen met andere disciplines, zich participeren in educatie en zich verstrengelen in de gemeenschap om haar handelingsvermogen te vergroten. Haar vrijheid moet echter soeverein blijven en haar werking mag niet gegijzeld worden. Participatieve projecten en methodieken, hoewel riskant en onzeker van nature[3], kunnen een belangrijke sleutelrol spelen in het ontsluiten van nieuwe denkbeelden en alternatieve vormen van samenleven en werken met andere levensvormen initiëren en te streven naar een samenleving+.

Het uitwisselen van artistieke, antropologische en wetenschappelijke inzichten en methodieken in een intense samenwerking en correspondenties tussen de verschillende disciplines zou een belangrijke stap voorwaarts kunnen zijn in het vinden van nieuwe wegen in het antropoceen. Daarbij kunnen de kunsten verder bouwen op de laatste wetenschappelijke en filosofische inzichten, en deze vertalen naar een artistieke en sociale context, en omgekeerd. Tegelijkertijd stelt Ingold dat uit een verregaande wisselwerking met de kunsten en antropologie een andere vorm van narratieve wetenschap kan ontstaan waarbij men niet enkel vanop een afstand objectiverend onderzoek kan verrichten, maar ook door in het midden van het onderzoeksveld te staan, en samen te werken met de actoren die ze onderzoeken.[4] Dit maakt een andere, tragere wetenschap mogelijk, die verhalen kan vertellen louter dan het weergeven van data. Dit zou een mogelijke uitweg kunnen zijn om uit de krititieke zone te raken. Ingoldt schrijft in een interessante hypothese dat wetenschap het potentieel bevat om een kunst van het onderzoek te worden, en dat kunst, in die zin een wetenschapspraktijk kan worden. “Waar wetenschap en kunst samenkomen is in het zoeken naar waarheid. Met waarheid bedoel ik feiten in plaats van fantasie, maar de vereniging van ervaring en verbeelding in een wereld die wij leven en die voor ons leeft.” (Ingold, T. 2018) [5]

Tijdens mijn artistieke onderzoek heb ik zelf mogen ervaren hoe rijk deze correspondenties of overeenkomsten tussen de kunsten, design en de wetenschappen kunnen zijn. Het was een enorm voorrecht om met geëngageerde en gepassioneerde fysici, biologen, ingenieurs, filosofen, designers, geschiedkundigen te kunnen en mogen samenwerken in verschillende projecten, zoals “mijnKOOL”, “a Possible Sustainocene” of het “algaetype-proces”. Het bundelen van de krachten, kan zoals hierboven geschetst een krachtige manier zijn om nieuwe denkrichtingen en mogelijkheden te laten ontstaan. Een voorwaarde om tot een volwaardige overeenstemming te komen is het gelijkheidsprincipe van de disciplines waarbij niet de ene, nog de andere de overhand heeft, zich vasthoudt aan de eigen taal of dogma’s of de ander parasiteert. Het is zoals Ingold schets, samen transformeren naar nieuwe vormen van samenwerken, zonder de eigen identiteit te willen vasthouden, maar op zoek te gaan naar een versmelting van ideeën en concepten in volle openheid en vertrouwen, vanuit een wederzijdse solidariteit ontstaan uit het rizomatisch denken. Dat houdt zeker risico’s in en tal van onzekerheden, maar geeft ook de meeste ruimte aan vernieuwende inzichten en praktijken.

Ecologisch wezen.

Morton stelt in zijn boek “Ecologisch wezen (2018)[6], dat kunst belangrijk kan zijn om onze relatie met de niet-menselijke wereld te begrijpen. Hij schrijft dat kunst meer moet doen dan alleen de overdracht van data imiteren. Er moet een esthetische ervaring zijn die solidariteit met het kunstwerk veroorzaakt. Omdat het kunstwerk per definitie niet-menselijk is, brengt het automatisch solidariteit tussen mensen en niet-mensen met zich mee. Ecologische kunst is dus kunst die een solidariteit met niet-mensen op de voorgrond zet, maar Morton gaat nog verder in zijn redenering door te stellen dat elke kunst ecologisch is.[7]

Volgens Prudence Gibson[8]heeft kunst de inherente kracht om complexe problemen te vertalen naar visuele ideeën en concepten die anders moeilijk zijn om waar te nemen of te beschrijven. Het incorporeren van de laatste wetenschappelijke en filosofische inzichten kunnen hier ook een grote rol in spelen. Op deze manier kan kunst een kritische gids zijn in de discussie rond bijvoorbeeld het toekennen van de rechten van de plant.[9] In die zin kunnen de kunsten bevruchtend werken voor de wetenschappen. Daarbij hoort ook het erkennen van een intelligentie en gevoelens van planten en het toekennen van een relationele status met planten. Kunst kan omwille van die reden een medium worden dat het gat tussen ons mensenleven en het leven van planten zou kunnen vullen en onze relaties zichtbaar maken. Hij stelt verder dat de kunsten kunnen helpen in het vinden van nieuwe relaties met niet-mensen, en los te komen van onze vooringenomen angsten voor verlies aan imaginaire status van ons mens-zijn. Kunst, zo stelt Gibson[10], heeft de capaciteiten om onze percepties van de wereld te verschuiven. Deze verschuiving zou misschien wel tot resultaat kunnen leiden dat we leren om ons schadelijke, extractieve en vernietigende menselijk gedrag achterwege te laten en over te gaan tot het aangaan van een wederkerigheid. Gibson beschrijft verder het esthetische regime van Rancière  als een regime dat zich richt op de politieke capaciteiten en sensaties van kunst, en waarbij kunst niet langer een zelfbevlekking is maar een moment in de politieke tijd.[11]

Zoals Rancière[12] schrijft, is het zichtbaar maken van niet-geziene actoren, zoals planten, immers een politieke daad. Door ze handelingsvermogen toe te kennen, en er mee in dialoog te gaan kan een nieuwe stap betekenen in een betere verhouding en solidariteit tussen mensen, planten en andere levensvormen. Daarom is kunst die de aandacht vestigt op het zichtbaar maken van genegeerde actoren en hun handelingsvermogen toe te kennen, dan ook politiek georiënteerd.

Het gebruik van het anthotype-procedé is in mijn ogen een geschikt medium om mee te helpen om nieuwe visuele verhalen te creëren die een andere verhouding met ecologie mogelijk maken. Het organische procedé, waarbij plantpigmenten worden gebruikt om een beeld te creëren, vraagt immers om een intense samenwerking met planten, waarbij de plant, en daardoor ook het landschap zelf, een handelingsvermogen verkrijgen. Ik heb immers nooit volledige controle over het proces, maar ben mede afhankelijk van de plant, en dit maakt het anthotype-procedé een onzeker en deels riskant proces. Ik zie planten dan ook niet enkel als grondstof, of studie-object maar als een belangrijke deelnemer of co-auteur in het artistieke proces, die mee het verhaal van het beeld uitschrijft en de esthetiek bepaalt. Vanuit dit standpunt is het anthotype-procedé inherent een participatief artistiek proces, en hierdoor per definitie onzeker[13]. Het anthotype-proces bezit dus de kracht om het zintuiglijk waarneembare te verschuiven en dit maakt anthotype-prints, ontstaan door een samenwerking tussen mens en plant, dan ook politiek georiënteerd omdat het de plant zichtbaar maakt en handelingsvermogen toekent.

De onderliggende boodschap van het beeld zit vervat in de techniek en materiaal waarmee het beeld tot stand is gekomen, maar overschrijdt tegelijkertijd de esthetische regimes die Rancière concipieerde, waardoor het anthotype-beeld misschien wel kan worden opgevat als een peinzend beeld. De op het eerste zicht misschien romantische, of picturalistisch ogende en op schilderkunst lijkende anthotype-beelden van de reeks Transit dragen een eigentijdse hoogdringendheid en actuele boodschap in zich. De romantische esthetiek is hierbij geen volledig bewuste, of onbewuste keuze, maar zit inherent vervat in het gebruik van het procedé en de plantaardige pigmenten, net als de vervuilende elementen die zich in de emulsie bevinden door de planten te oogsten op zwaar toxische bevuilde wastelands. Ze zijn onzichtbaar, maar zeker aanwezig in de print.

Deze dynamiek van verhullen, blootleggen en spelen met de perceptie van de toeschouwer, maakt dat de beelden niet makkelijk leesbaar zijn. Ze vereisen een intense geëmancipeerde blik van de toeschouwer, en gaan voorbij het -easy seeing- of hapklare beelden. Door deze toxische emulsie, die als basis diende voor de anthotype-prints drinkbaar te maken maakt dat de toeschouwer de onrust en onzekerheid ook letterlijk kan internaliseren.

Het beeld, als anthotype, ontstaat op dezelfde manier waarop het zal worden vernietigd, -door het licht-. Op deze manier vormt het ontstaan van het beeld, dat een inherente schoonheid vervat, tegelijkertijd ook het afscheid in al zijn traagheid. Het anthotype-procedé dat de materiële en imaginaire herinnering van het landschap in zich draagt, verplicht ons tegelijkertijd ook tot het loslaten en het besef dat die herinnering aan dit landschap als constructie vervagen zal, net als het landschap zelf, dat continu in beweging is en zichzelf niet herinnert als beeld maar als een levend web van betekenissen, verbindingen en verbeeldingen waar wij een deel van uitmaken. Door de inherente entropie worden de anthotype-prints haast onverkoopbaar volgens de mechanismen van de kunstmarkt.

Het zijn deze tegengestelden waarmee ik graag werk, en waarbij ik hoop dat het beeld, de toeschouwer kan verleiden door de esthetiek, en het je via de blik op een zachte manier meelokt naar de donkere, ongemakkelijke realiteit die erachter schuilt. Hopelijk nestelt het zich achter het netvlies van de toeschouwer om zich daar als een onrust, een als schoonheid vermomd virus of een accumulatie aan vervuilende stofjes te vermeerderen en te nestelen. Dat het vandaar, als idee, ook het binnen-landschap van de kijker kan bezoedelen. Het beeld is een valstrik, net zoals de glanzende druppels op de zonnedauw, die een kleefstof bevatten om nietsvermoedende insecten te lokken. Zo lokt het werk, door de val van de schoonheid ook de toeschouwer naar binnen, naar de zoete donkere toxiciteit die inherent aanwezig is. Zo wordt de toeschouwer hopelijk besmet door een onrust die inherent aan het antropoceen is gekoppeld, en vormt deze incubatie de aanzet tot actie en participatie. Zoals een virus, cellen aanzet tot kopiëren van zichzelf, hoop ik dat het idee, de onzekerheid en twijfel zich zo ook verder kan verspreiden doorheen de hoofden en lichamen van de toeschouwer.

Het zou kunnen dat Rancière me hier zou kunnen beschuldigen van een poging tot artistieke doeltreffendheid[14], maar ik wil met m’n werk de toeschouwer geen schuld aanpraten, geen belerende rechtstreekste toon aannemen, nog de antropocene architectuur van het landschap verheerlijken door louter de menselijke systemen en structuren te fotograferen en door de esthetiek van het beeld deze te verheerlijken. Het werk heeft niet de pretentie om rein of nobel te zijn, nog puur, of belerend. Het probeert via weke pedagogische principes[15], de toeschouwer een participant te maken. Wat ik vooral probeer te bereiken is de toeschouwer mee te trekken in de zone, hem mee te nemen naar het moeras en onder te dompelen in de toxische modder van het antropoceen.

Onvoorwaardelijke liefde als middel.

Ik hoop de toeschouwer dus mee te bedoezelen, te besmetten met de onrust en onzekerheid van de duizelingen van het anti-antropocene denken. Hem/haar te incuberen met de afstotelijke, doch aantrekkelijke glans van de verstrengeling van ons mens-zijn en het niet-mens-zijn. Ik wil de toeschouwer meenemen doorheen de schoonheid, naar het duister, net voorbij de wanhoop in een radicale onzekerheid. Niet zuiverder, maar net vuiler. Ik wil de geëmancipeerde kijker medeplichtig maken, en vanuit deze medeplichtigheid hopelijk aanzetten tot een wederkerigheid, liefde en verantwoordelijkheid naar onze habitat en alle actoren toe. Aanzetten tot een onvoorwaardelijke liefde voor onze planeet, onze ecologie waar we ook zelf een onlosmakelijk onderdeel van zijn, en waarbij de onzichtbare niet-menselijke actoren terug zichtbaar worden, en hun handelingsvermogen terug verkrijgen in onze samenleving+.

Dit besef is één van de belangrijkste conclusies voor mezelf van dit gevoerde onderzoek: dat een kunstwerk of beeld, door middel van onvoorwaardelijke liefde, een aanzet kan zijn tot een vertwijfelde andere blik. Liefde, waarin je jezelf volledig verliest, is volgens Morton één van de enige manieren om je te verhouden tot ecologie. Liefde als middel om kunst, en zo ook ecologie te kunnen begrijpen, om ecologisch te kunnen handelen, liefde om nieuwe ideeën te concipiëren, te onderzoeken, te spelen, te denken en liefde als kunst.[16]Liefde en hopeloosheid die samengaan. Zo schoon is dat, maar ook verontrustend.

Liefde is inderdaad onontbeerlijk in onze relatie tot ecologie, en net daarin kan kunst een interessante rol spelen. Morton schrijft dat kunst zich bevindt in de instabiele en ongemakkelijke zone van liefde en lust, maar ook van walging en afstoting. Schoonheid kan in die zin, een glijmiddel zijn voor een ongemakkelijke waarheid en urgentie. Het kunstwerk, of expositie kan op deze manier politiek en activistisch kan zijn, zonder het letterlijk te zijn. Een ambigu spel tussen aantrekking en afstoting, en een vreemde wederkerigheid die inspeelt op het subjectieve, sociale en ecologische niveau.

De bezoedeling via de schoonheid en liefde is misschien een geijkte manier om het antropoceen te kunnen begrijpen en ertegen te ageren, vandaar dat ik me graag laat bezoedelen, besmetten en vervuilen. Als een twijfelende, artistieke activistische kunstenaar -alias gids-, een mijmerende, observerende schrijver en een rigoureuze amateur-wetenschapper in één, als een vreemde vreemdeling[17], die tegelijk gastheer is voor andere levensvormen dan mezelf, probeer ik me aldus een weg te banen doorheen dit bewegende onderzoeksgebied.

Ideeën ontstaan waar je ze het minst verwacht, schrijft Tim Ingold in zijn boek “Correspondences”.[18] Voor het denken moet een idee verstoren en verontrusten, gaat hij verder. Ook al ben je ernaar op zoek, toch komen ze nog steeds als een verassing. Ze leiden je van je pad af en daarom zijn ideeën niet echt welkom voor degenen die zo snel mogelijk van A naar B willen gaan, aldus Ingold. De omweg, en het dwalen zijn noodzakelijke voorwaarden. Om werkelijk tot nieuwe inzichten te komen, moeten we dus de controle durven verliezen om daarna er terug een beetje vat op te krijgen. Jezelf verliezen om tot nieuwe inzichten te kunnen komen. Spelend verdwalen. De omgekeerde weg, zoals Morton schrijft: Ecognosisen Subscendence.[19]

Controle verliezen om deze terug te kunnen krijgen,

verdwalen om je weg te vinden,

verzwelgen in de lelijkheid om de schoonheid te ontdekken,

en via de schoonheid de lelijkheid weer terug te vinden.

Loslaten om lief te hebben.

Bezoedeld worden om weer in het reine te kunnen komen.

Hannah Arendt schreef dat het aan ons is, om te beslissen of we genoeg van de wereld houden om er de verantwoordelijkheid voor te dragen.[20] Pas als we opnieuw verliefd kunnen worden op onze wereld, kan er hoop zijn voor een vernieuwing voor de volgende generaties. Om dit te bereiken, gaat Arendt verder is er nood aan het herdenken van ons denken, en schrijven, zowel vanuit het hoofd, als vanuit het hart. Ik voeg er vanuit mijn onderzoekstandpunt dan ook nog graag zien aan toe. Graag zien, is immers een mooi uitgangspunt voor de Sustanist Gaze, dat in een ander hoofdstuk verder wordt toegelicht.

Liefde en zorg voor onze planeet kan echter niet enkel gaan over de liefde voor de makkelijke, esthetisch ogende pretparkachtige instagrammable definitie van natuur. Natuur is niet enkel het mooie kabbelende winterbeekje, het idyllische bergmeer, de -met steeds minder sneeuw bedekte- bergen of de overgebleven in het groen badende oerbossen, of het sublieme. Natuur bestaat niet enkel op de mooie romantische plekken waar je graag je vakanties en vrije tijd besteed. Echte liefde, ver voorbij de makkelijke verliefdheid, gaat verder. Het gaat over de ongemakkelijke, onzekere en onvoorwaardelijke vorm van liefde, zelfs voor wat ons afstoot.

Daarom kan ecologische kunst niet alleen gaan over de schoonheid van de wereld, maar moet het ook, aldus Morton, lelijkheid en walging in zich kunnen dragen, anders vervelt het tot kitsch.[21] Tegelijkertijd moet het werk een gevoel van werkelijkheid en onwerkelijkheid oproepen, en een verontrustende vreemdheid in zich dragen. Het moet kronkelen, en wervelen, omdat de realiteit ook kronkelt en wervelt. Verder stelt Morton dat Kunst intrinsiek een verontrustend, demonisch effect heeft, omdat het boodschappen kan overbrengen van andere werelden of -nog- onzichtbare actoren. Daarenboven zendt een kunstwerk tijd, uit en ontwerpt een kunstwerk de toekomst van de toeschouwer, net als de toeschouwer de toekomst van het werk mee bepaald.[22]

Liefde voor natuur betekent een onvoorwaardelijke liefde kunnen voelen voor de grote huisspin, de kakkerlak, muggen, de rivier die uit haar oevers treedt, de plotse sneeuwval die je plannen in de war stuurt, de worm in je appel. De slijmerige groene algen in de vervuilde grachten. Echte natuur gaat verder dan waar we onze grenzen van cultuur bepalen. Kan je liefde voelen voor de invasieve planten in je achtertuin, de mieren in de keukenkast, de bladluizen in je haag of de marter die de kabels van je auto met te veel goesting heeft doorgebeten? De wolf die opnieuw rondsluipt in de weides en de wasberen in je vuilbak? Voor de lichaamseigen darmbacteriën en de wormen die je lichaam ooit zullen composteren. Dat is de duistere ecologie waar Morton het al die tijd over had. Pissebedden smaken een beetje naar kreeft, zacht, verfijnd en een beetje zoet naar het schijnt.[23] Je moet er maar van houden.

I had a dream I was under the ground
My friends and family were buried all around and a
Worm took a bite of me
And then he washed it down with a bite of you

The same worms that eat me will someday eat you too
They gonna eat you

Nibbled on your feet and they nibbled on my toes
They become the same when our bodies decompose
You'll turn into dirt someday, same dirt as me
Like one becomes a two and a two becomes a three

The same worms that eat me will someday eat you too

Worms, The Viagra Boys





Het proces dat ik als gids, schrijver en amateurwetenschapper heb afgelegd in mijn onderzoek heeft me veel waardevolle inzichten bijgebracht en ik hoop dat ik deze inzichten en methodieken kan blijven inzetten tot het verbeteren van onze houding ten opzichte van ecologie, en een aanzet tot een beter handelen. Het onderzoek vertrok vanuit een schuldbesef ten opzichte onze gebrekkige en verstoorde agri-logistieke visie ten opzichte van onze habitat en een vorm van twijfel in mijn eigen discipline -de hedendaagse fotografie- als kracht voor verandering.

Photography's role as a verification of the world is lost. Reality has become a parallel universe with photographers returning with different versions of what it truly looks like. And nobody really believes any of them. Thus the question: "Is Photography over?" I suggest Photography is just tired. The fatigue seems partly a result of its sudden over-inflation and equally sudden deflation: stress fractures in its credibility.  (Philip-Lorca di Corcia, Is photography over, SFMOMA) [24]

Door andere disciplines te leren hanteren, eigen te maken en verbindingen te zoeken met de wetenschappen en door het continu bevragen, van mijn gebruikte methodieken, materialen, onderwerpen en concepten ben ik op andere paden terechtgekomen dan ik had kunnen vermoeden bij de start van het onderzoek, en die de manieren van het vertellen van verhalen binnen mijn artistieke praktijk ingrijpend hebben veranderd.

Doorheen het onderzoek heb ik mogen ervaren hoe meer handelingsvermogen ecologie en klimaatopwarming hebben gekregen in onze maatschappij. Door de toename van natuurrampen, vaak direct door ons handelen bewust en onbewust veroorzaakt, heeft het debat zich losgemaakt van een abstract, veraf niveau naar een levensbedreigende persoonlijke situatie voor veel van ons. Ook in de hedendaagse kunsten is ecologie één van de belangrijkste thema’s geworden. Het is goed dat er meer en meer mensen en kunstenaars zich in de strijd werpen voor een betere verhouding tot onze aarde. Dit schept hoop dat we door samenwerking, en veel kleine oplossingen een nieuw model kunnen uitwerken voor een solidariteit en afstemming met alle actoren van onze planeet. Laten we enkel hopen dat de interesse oprecht, en onvoorwaardelijk is, en het inderdaad een verschuiving van het zintuiglijk waarneembare[25]met zich meebrengt, en dat het geen wedstrijd wordt in het aantonen van opperste zuiverheid, zoals een l’art pour l’art zou staan op een l’ecologie pour l’ecologie. Laten we met zijn allen niet proberen zuiverder te worden om ter zuiverst, maar samen lekker smerig. Smerig van de onvoorwaardelijke liefde voor onze planeet.

Terwijl ik mezelf hier totaal verloren lijk te lopen in de hersenkronkels, manifesten, teksten en filosofieën van Ranciere, Deleuze, Kant, en Morton stel ik me de vraag of mijn werk activistisch kan zijn, politiek of zich gewoon kunst mag noemen, en of het daarom an-sich al ecologisch is. Hoe verhoudt het zich tot de verschillende esthetische regimes, de verschillende modellen en de drie ecologiën?[26] Is het het kunstwerk dat zelf communiceert zoals Morton schrijft, of is het eerder de Kantiaanse ruimte tussen het werk en de toeschouwer in?[27] Of creëer ik eerder peinzende beelden?[28]

Als kunstenaar, in de gedaante van een gids, als schrijver en amateur-wetenschapper zit ik vervat in mijn werk. Ik ben er een deel van, een onlosmakelijk stukje van het geheel waarvan de delen volgens Morton meer zijn dan het geheel. Ik ben de participerende observator in mijn eigen artistieke prakijk. Deze draaikolk van overpeinzingen gedraagt zich als de möbiusband binnen de duistere ecologie [29], waarin ik me het ene moment aan de oppervlakte bevind, en het andere moment aan de onderkant, me afvragend hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik weet het antwoord op die vraag wel: al dwalend, en lerend.

Wat ik ook zeker -onzeker- weet, is dat de aanzet, tot dit onderzoek vanuit een activistisch, ecologisch, sociaal en politiek perspectief is vertrokken, waarbij het onderzoek en de artistieke praktijk zich voltrokken in de fysieke ecologie, het mentale binnenlandschap [30] en het sociale.[31] Het werk dat ik maak, vertrekt vanuit mijn hart, en van de wisselwerking met -op dit moment te volle- hoofd. Ik vind het fijn om beeldende verhalen te vertellen in woord en beeld om mensen mee te nemen naar de zone, ze te laten nadenken over ecologie, ze medeplichtig maken en ze mee te lokken naar de toxische modder door middel van schoonheid en esthetische regimes. Het overschrijden van de disciplines komt voort uit een inherente, onrustige nieuwsgierigheid die tegelijkertijd een noodzaak vormt om een onderwerp als het antropoceen te kunnen benaderen. Het is voor mij, een haast van nature gegroeide noodzaak om me te verzetten tegen het antropoceen.

Misschien maakt het niet zo veel uit. Als alles één geheel is, en het geheel is minder dan de delen,[32] zijn dan alle keuzes ook politiek?[33] En is politiek dan meer dan het geheel van al die keuzes, ook de keuze van wie de keuzes mag maken? Niet alleen politici, maar ook burgers, gidsen, schrijvers, amateur-wetenschappers, mensen en niet-mensen? Is de keuze waarmee je je boterham smeert in de ochtend politiek? Vermijd je bewust palmolie, of kan het je niet zoveel schelen dat deze keuze een impact kan hebben voor het regenwoud in Indonesië? Is de consument politiek? Heeft hij een politieke macht in onze samenleving door consumer-empowerment? Is de consument onwetend of kan hij in de geest van de geëmancipeerde toeschouwer, ook een geëmancipeerde consument zijn?

Ik richt me voor wijze raad tot Tim Ingold,[34] terwijl ik zwetend achter mijn laptop in de schrijfkamer ben aan het zwalpen tussen mijn eigen studium en punctum. Hij schrijft tussen zijn lijnen door: trek naar buiten. Trek de wereld in, en probeer daar, vanuit je eigen perceptie antwoorden te vinden en niet alleen in boeken. Het is precies dat, dat ik nu ga doen. Ik gooi mijn laptop iets te hard dicht, neem een klein zwart notitieboekje en pen uit de kast. Ik loop de trap af, naar buiten en gooi de deur nog harder dicht dan het laptopscherm, alvorens op de fiets te springen en blij te verdwijnen in mijn habitat. Onze habitat.

Dankbaar en met volle teugen adem ik de zuurstof in, gecreëerd door cyaanbacteriën miljoenen jaren geleden en fiets ik door de veldwegen vol agri-logistiek geweld aan weerskanten naar het hoogste punt van Hasselt. Zo’n 66 meter boven de huidige zeespiegel, met een vergezicht op de nabijgelegen weides, bossen, velden en dorpjes.

Onder een dunne zandleemlaag, waar ik op sta, ligt een 20 meter dikke kleilaag. De kleilaag bleef liggen toen het zeewater het zand wegspoelde. Ik bevind me op een getuigenheuvel, gevormd in het tijdperk voor er dinosaurussen rondliepen op onze planeet. Langs me grazen vleeskoeien in de groene weide. Ze laten het wild groeiende Sint-Jans-Kruis-Kruid staan omdat het giftig is. Terwijl ze grazen, lossen ze hun darmgassen en het methaan beïnvloedt mee de klimaatopwarming waardoor de zeespiegel op termijn opnieuw zal stijgen. Het is best grappig het geluid van de scheet van een koe te horen in een verstild landschap. Deep-time.

Ik fiets door de ecologische woestenij van een vreemd, exotisch maar verder volledig functioneel maïsveld binnen de agri-logistieke ruimte. De maïsplanten begroeten me door hun groene lange bladeren over mijn gezicht te laten glijden. Voelen ze mij ook langsrijden? Het is een smal weggetje tussen de maïs, en ik laat me verdwalen in deze plantenkolonie. Ik ben hier de vreemdeling in de monotheïstische cultuur van de maïsplantage. Ze overwoekeren me met hun lengte van drie meter, en verstoppen daardoor mijn aanwezigheid voor het overvliegende vliegtuig dat met witte wolkstrepen zijn signatuur achterlaat in de blauwe lucht.

Even verderop staat een bord van Natura 2000. “Op de witte krijtrotsen van Normandië en Zuid-Engeland zie je nu wat er zich miljoenen jaren geleden afspeelde. Toen bevond zich hier de kustlijn.”

Terwijl ik dit alles neerschrijf in mijn zwarte notitieboekje, in de agri-logistieke woestijn van een bekoorlijk maïsveld, word ik gebeten door tientallen muggen die me, door het zweet van het fietsen, erg lekker schijnen te vinden. Ik ben het vlees voor hen geworden. Alvorens volledig te worden verorberd door de muggen, steek ik het zwarte boekje terug in mijn broekzak en haal ik mijn mobiele telefoon tevoorschijn om het bordje te fotograferen. Niet omdat het zo’n mooi bordje is. Het tegendeel is eerder waar, maar omdat ik de info wil verzamelen voor later. Het beeld wordt onmiddellijk verzonden naar het hyperobject van de cloud, waar het wordt opgeslagen ergens in een anonieme serverruimte ergens op de planeet. Vanaf nu maakt dit beeld deel van een steeds groter, energie-vragend monster van digitale data dat gevoed moet worden met elektriciteit. Elektriciteit die momenteel globaal nog steeds voor het merendeel wordt opgewekt door fossiele brandstoffen die de klimaatopwarming veroorzaken. Mislukte, niets-betekende beelden wissen uit je cloud-opslag is dus een ecologische daad.

Wat een bizar toeval, denk ik, of in wat voor een vreemde Möbiusband van tijdschalen ben ik terechtgekomen. Brandstoffen afkomstig van de tijd, toen hier de kustlijn lag, zorgen ervoor dat ik nu een foto kan maken van het infobordje en het kan opslaan in de cloud, en dit mechanisme zorgt er misschien weer voor dat de kustlijn hier ooit opnieuw komt te liggen. Vreemd. Het geruis van de Canadese populieren door de wind, doet me denken aan de zee. Er lijkt geen vrediger onheilspellend geluid te bestaan dan dit ruisen.

In de verte komt het brommende motorgeluid van een motor me uit mijn peinzen verlossen. In de weide naast de maïskolonie staat een grijze ezel me met vreemde ogen te bekijken alsof hij mijn overpeinzingen begrijpt. Ik zeg vriendelijk goedendag en laat de wind-latende-klimaatopwarming-veroorzakende-vleeskoeien en de functionele maïsplanten achter me en ik spring opnieuw op mijn muntgroene fiets, gefabriceerd in Taiwan, genoemd naar een Haïwiaans vissersdorpje en een oude Canadese cyclocrosser met de animistische bijnaam Jake-the-snake. Wat is nog de hoofdlijn? Wat zijn de bijzaken?

Ik fiets verder, volg de afdaling naar de Mombeekvallei die twee weken geleden nog overstroomde door de overvloedige regenval vanwege de stilvallende straalstroom boven de Atlantische oceaan, en het teveel aan waterdamp in de atmosfeer door het warmere klimaat. In volle afdaling, raak ik een putje in de weg, en mijn stuur begint erg te trillen. Hij shimmyt op het ritme van de resonantiefrequentie van de zwarte dans waarop de naam gebaseerd is. Ik laat het stuur los. De rust komt terug. Ik haal adem. Alles komt goed. De omgekeerde weg. Ecognosis.[35]

Op weg naar onze achtertuin kom ik een veld vol Japanse Duizendknoopklonen tegen. Ik gooi me erin en laat me een volle seconde of tien in gedachten verwilderen, alvorens ik me terug cultureel gepast gedraag. De kinderen in de verte laten hun bellen vrolijk rinkelen onder de brug onder de autosnelweg. Ze ademen de kleine roetdeeltjes in van de wagens die over hun blije hoofdjes razen. Alles zit in elkaar verweven, en het geheel is minder dan de delen, aldus Morton die in mijn hoofd rondjes zit te pedaleren.

Ik fiets verder en knal in mijn eindeloos gemijmer in het binnen-landschap tegen een metalen paaltje in het midden van de weg. Een fysiek-semiotisch teken van het agri-logistieke denken. Alles komt goed, ik geloof het niet meer. Weg betovering.

Kan kunst de wereld redden? Waarschijnlijk niet alleen, maar door uit te breken! Dwars door de bubbel van witte muren van de galeries en musea om zich te vermengen in de publieke ruimte. Te corresponderen met de wetenschappen en andere disciplines, door natuur aan te stellen als co-auteur van het kunstwerk, door niet-menselijke actoren zichtbaar te maken in het politieke debat, en ze als volwaardig lid te aanschouwen in een samenleving+. Door frictie, en dissensus[36] op te roepen door middel van esthetiek en onzekerheid. Door te durven accelereren of juist te vertragen met het ritme van de maatschappij kunnen we misschien een verschil maken.

Kortom, alles wat we nodig achten om te reageren op onze niet meer houdbare houding ten opzichte van niet-menselijke actoren kan helpen. Door mee te schrijven aan het nieuwe pluralistische verhaal met meerdere worteltoppen en esthetische, experimentele en nieuwe verbeeldingen te creëren, en door verbindingen, correspondenties[37] en wisselwerkingen te zoeken met gemeenschappen en andere disciplines kunnen de kunsten zeker wel een belangrijke bijdrage leveren aan een nieuwe, meer verstrengelde relatie tot onze habitat. Deze dynamiek kan vernieuwende inzichten opleveren die openingen mee kunnen creëren om te ontsnappen aan de vernietigende cyclus van het agri-logistieke denken en handelen. En in die openingen zullen we met zijn allen moeten springen willen we een kans maken om te overleven als soort in het antropoceen. Ik hoop dat ik met mijn werk kan helpen bijdragen aan de ecognostische [38] sprong in het duister. Een daad van onvoorwaardelijke liefde.






[1] Correspondentie in de zin van overeenstemming, en niet enkel wisselwerking. Ingold, T. (2021) Correspondences, Cambridge: Polity Press

[2] Ingold, T. (2021) Correspondences, Cambridge: Polity Press, p. 9

[3] Huybrechts, L. (ed.) (2014) Participation is Risky. Approaches to Joint Creative Practices. Amsterdam: Valiz

[4] Ingold, T. (2018) Anthropology and/as education, New York: Routhledge, p.p. 60-63

[5] Ingold, T. (2018) Anthropology and/as education, New York: Routhledge, p. 71

[6] Morton, T. (2018)Ecologisch wezen, Utrecht: Uitgeverij Ten have, p. 136

[7] Morton, T. (2021) All Art is ecological, Dublin: Penguin Books. pp. 6.

[8] Gibson, P. (2018) The Plant Contract, Artist’s Return to vegetal life. Leiden: Brill

[9] Mancuso, S. (2020) De universele rechten van d