1.4 De Het belang van (on)t-leren en het rizomatische denken in het antropoceen.


12515 woorden, leestijd: 50 minuten


Onzichtbare planten, en hoe ze zichtbaar te maken

Een voorbeeld van onze beperkte, geconstrueerde blik vinden we terug in het concept plantblindheid. Voor de meeste mensen lijken planten op statische wezens die dankzij hun schijnbare onbeweeglijkheid makkelijk opgaan in de achtergrond, en we zien hen daarom makkelijk over het hoofd. Hoewel we ze wel ‘zien’, zijn ze haast praktisch onzichtbaar in het landschap. We zien ze wel, maar schenken er geen aandacht aan, en negeren al te vaak hun aanwezigheid. Deze aangeleerde plant-blindheid kan pas overwonnen worden door onze blik op een anticiperende en open manier te richten op planten en hen te erkennen als intelligente en communicatieve wezens, die weliswaar op een volstrekt andere manier functioneren als wij.[1] Om ze kunnen zien, moeten we ze eerst echter leren on-zien, en ons bewust worden van onze eigen plantblindheid.             

Het leren on-zien, en begrijpen van planten is een uiterst boeiend gebied, waar nog veel blinde vlekken te verkennen zijn en waar verbeeldingskracht voor nodig is om de nodige openingen in ons zien, denken en handelen te forceren, voorbij de heersende stigma’s en heersende denkbeelden. Hiervoor kunnen de kunsten, in samenwerking met de wetenschappen een geschikt medium zijn om een brug te vormen tussen plant en mens. Onze blik is immers nooit neutraal, net zoals een fotografisch beeld nooit neutraal kan zijn, maar vormt het altijd een constructie gevormd door onze identiteit en onze culturele samenleving.           

De beperkingen van het zien en het toewijzen van de blinde vlekken in ons zicht wordt behandeld in Bergers Why Look At Animals, waarbij hij onze menselijke tekortkomingen bekritiseert in het zien van dieren door verschillende media, ruimtes, contexten en geschiedenis.[2] Dit essay wordt ook aangehaald in het boek Why Look At Plants van Giovanni Aloi, waar hij de theorie van Berger vertaalt naar het niet-zien van planten.[3] Aloi schetst dat plantblindheid een culturele tekortkoming vormt in het erkennen en zien van planten. Hierdoor reduceren we planten al te snel tot statische esthetische objecten, grondstoffen, voedsel of onkruid, zonder erbij te stil te staan dat ze levende wezens zijn, met een eigen vorm van bewustzijn. Deze vorm van reductie in het blikveld komt vooral terug door de aangeleerde culturele binaire scheiding tussen mensen en niet-mensen.             
We moeten deze achterhaalde vorm van zien, en zijn, ontleren en ruimte maken voor een nieuw perspectief waar we planten en andere niet-menselijke levensvormen, zien als belangrijke actoren in onze habitat, waarmee we moeten samenleven in een wederkerigheid en niet enkel als parasiet.[4] Het plantencontract zoals Mancuso het voorstelt, is een afgeleide van het natuurlijke contract, naar het concept van Michel Serres uit 1995.[5]Het plantencontract zoekt naar een nieuwe overeenkomst tussen mens en plant. Eén waarbij we de rechten van de plant erkennen, en de menselijke soevereiniteit omvormen tot een samenwerkingspact. We erkennen de plant om wie ze is, en we zoeken samen uit wat de plant voor ons als mens, kunstenaar, of onderzoeker kan betekenen.

Door de Japanse duizendknoop als medeparticipant en als levend organisme te betrekken in het onderzoeksproject ‘NOT IN MY BACKYARD’,[6] en niet meer te bestempelen vanuit het heersende agri-logistieke perspectief als een exotisch onkruid ontstonden er al snel nieuwe verbanden en methodes, waaruit weer nieuw artistieke concepten en werk ontstond. Zowel bewust als onbewust via experiment en spel. Kunst functioneert gewoonlijk als een open-ended onderzoek van genese of verandering, zonder voorschrift. Deze openheid en onzekerheid is nodig voor het creëren en het vinden van nieuwe verhoudingen ten aanzien van onze samenleving en wereld. 

In ruil voor haar participatie gaf de plant ons waardevolle pigmenten: waarmee we textiel konden kleuren, kleurstof konden maken om te schilderen en zelfs pigmenten waarmee we organische fotografische prints konden maken volgens het anthotype-procedé. We gebruikten haar vezels als basis voor het scheppen van papier, en als cover voor het uiteindelijke boek. We aten haar jonge scheuten via taart, confituur en dronken een sterk aftreksel op basis van likeur van haar jonge stengels als aperitief. Ze gaf ons waardevolle inzichten over het antropoceen en hoe wij als mens omgaan met ecologie, migratie en planten. Om nog maar te zwijgen over de noodzakelijke zuurstof. 

Dit betekende echter niet dat we haar minder goede karaktereigenschappen negeerden. We waren ons altijd bewust van haar invasieve karakter in het landschap, en de bedreiging voor de biodiversiteit. Daarom hebben we alle voorzorgen genomen om tijdens het proces de plant zelf niet verder te verspreiden, door onzorgvuldig of roekeloos met haar om te gaan. We hebben haar niet vertrapt of verdrongen, maar gepleit om voorzichtig en respectvol met haar om te gaan.

Onderzoek naar de goede eigenschappen van deze invasieve plant gebeurt niet enkel in de kunsten, maar ook wetenschappelijk onderzoek richt haar pijlen om de medicinale stoffen, pigmenten en andere grondstoffen die de plant herbergt.


Anders dan wij, werken planten met een gedecentraliseerd en modulair lichaam. Een plant ademt, denkt en voelt met zijn hele lichaam. Het verdelen van elke functie, schrijft Mancuso, is de belangrijkste overlevingsstrategie van de plant.[7] Er is geen centraal hoofd of brein die de plant aanstuurt, zoals bij mensen en dieren, maar een modulaire, coöperatieve en verspreide structuur. Om te kunnen overleven moeten planten zich voortdurend zien aan te passen aan een continu veranderende leefomgeving. Hierdoor is het essentieel dat een plant genoeg parameters kan waarnemen in haar habitat, en kan reageren op veranderende omstandigheden. Planten scannen voortdurend hun omgeving en zijn uiterst gevoelig. Ze meten onder meer het licht, de zwaartekracht, de beschikbaarheid aan mineralen, de temperatuur en de vochtigheid. Ook de signalen van andere levende wezens kunnen ze opvangen en erop reageren. Ze communiceren met elkaar en met hun omgeving door uitgebreide ondergrondse rizoom- en schimmelnetwerken. Op basis van alle informatie die ze verzamelen maken planten weloverwogen keuzes en zoeken naar creatieve manieren om te overleven of zich verder te verspreiden. Wetenschappelijk onderzoek heeft zelfs aangetoond dat planten methodes van associatief leren gebruiken om zich aan te passen.

Planten en bomen zijn fascinerende, sensitieve wezens die we als culturele samenleving haast helemaal negeren, en niet zien, hoewel ze een erg belangrijk onderdeel vormen van onze ecologie en ons voortbestaan als soort.[8] We zijn als mens, en als ecologisch wezen volkomen afhankelijk van planten. Ze voorzien ons niet alleen direct of indirect van voedsel of grondstoffen, maar ook van zuurstof en voorzien in onze steeds groeiende energiebehoeften. Niet alleen door de implementatie van biobrandstoffen, maar ook onze fossiele brandstoffen, zoals steenkool, aardgas en olie zijn ontstaan uit plantenresten.[9] Het zijn ondergrondse accumulaties van zonne-energie die in de loop van geologische perioden en miljoenen jaren zijn opgeslagen door fotosynthese en waarmee we proberen onze voortdurend groeiende honger naar energie te stillen door deze te verbranden, met een klimaatopwarming als gevolg.

De basiswerking van het maken van een beeld met behulp van het anthotype-proces integreert de kracht en complexiteit van fotosynthese en plantaardige pigmenten en onderstreept de geschiktheid ervan als medium om complexe verhalen vanuit een meer dan menselijk perspectief weer te geven, en kan zelfs bijdragen in een duurzame energietransitie. In een samenwerking met het X-Lab van de UHasselt zijn we er immers in geslaagd om de principes van het anthotype-procedé succesvol te incorporeren in experimentele organische zonnecellen, die licht om kunnen zetten in elektrische energie. Dit betekent dat we momenteel al in staat zijn om nieuwe schone manieren van energie te kunnen opwekken met plantpigmenten, en dat we tegelijkertijd erin zijn geslaagd om er een afbeelding in te verwerken door verkleuringen van het organische pigment. Voorlopig bevinden we ons nog in een prototype-stadium, maar het is een zeer interessante vondst die ontstaan uit de kruisbestuiving van de wetenschappen en de kunsten.

We zijn zo afhankelijk van planten en andere actoren in onze samenleving+ dat we als samenleving alles aan doen om dit te vergeten of niet te zien. Net zoals we de gevolgen en oorzaken van het antropoceen proberen te negeren. Misschien houden we er niet van om geconfronteerd te worden met het feit dat onze eigen overleving als soort onlosmakelijk verbonden is met die van andere mechanismen, omdat het ons bewust maakt van onze eigen zwakte. Misschien vinden we het niet leuk dat we in ons menselijk DNA ook plantaardig DNA kunnen vinden. Een menselijk DNA is immers 25% identiek aan dat van een banaan.[10]

Misschien genieten we er niet van om ons te realiseren dat we, ondanks alles, niet de bijna goddelijke heersers van de wereld zijn die we denken te zijn.[11] In het geval dat planten uitsterven, heeft de mensheid slechts een paar seconden op de geologische tijdschaal om te overleven. Mochten we echter de mensheid uitroeien door onze eigen dwaasheid en technologie, dan zouden planten de hele aarde heroveren, zelfs als ze niet al onze sporen konden wissen. Om het antropoceen te overleven hebben we een vergroot bewustzijn nodig. Een awareness van verbondenheid met andere levende organismen, een bewustzijn van nederigheid, een wens om te luisteren, te kijken en te voelen, een gevoel van solidariteit. Dit zijn goede eigenschappen voor bijna elke goede relatie, en ook voor niet-mensen. We mogen echter niet vergeten dat, indien we ons niet snel aanpassen aan deze ecologische realiteit, we zelf het onderdeel vormen dat zichzelf en een grote hoeveelheid organismen in een snel tempo in de afgrond duwt. We zullen moeten leren om de ecologische taal te begrijpen en onze zintuigen aan te scherpen.

Het anthotype-procedé, dat de Sustainist Gaze kan incorporeren zou een middel kunnen zijn om het bewustzijn van en de strijd tegen het antropoceen te vergroten. Een van de oudste fotografische methoden wordt op deze manier paradoxaal genoeg een geschikt instrument om een hedendaags noodzakelijk onderwerp te benaderen en een niet-menselijke visie incorporeren. Zoals in volgende delen uitgelegd, deelt het anthotype-proces veel gemeengoed met de vier pijlers van Sustainist Design.


Scotomen

Het zien van de blinde vlek in het gezichtsveld.


Vanuit bijna ieder standpunt gezien was het ronduit een belachelijk, en zelfs verwerpelijk, idee om vanuit België naar California te reizen voor een ecologische conventie om mijn onderzoek te presenteren. Toch doet ons iets -elke spreker had hetzelfde gevoel – naar daar bewegen en reizen met het vliegtuig. Alleen Timothy Morton had afgezegd. Zou er dan toch iemand kunnen nadenken?

Het is erg druk in de luchthaven als ik vertrek. Heel erg druk. Te druk voor mij. De vakantieuittocht is begonnen en mensen staan in lange rijen te wachten op weg naar hun droombestemming. In een luchthaven mag je niet denken, maar dien je aanwijzingen te volgen van mensen die ogenschijnlijk niet om je geven. Het zijn non-spaces, zoals Marc Augé ze omschrijft waar niemand thuishoort en alleen maar onderweg is naar ergens anders.[12] Zo moet het dus voelen denk ik – maar dan onbenoembaar veel pijnlijker –, als je je land ontvlucht en in een bureaucratisch systeem terechtkomt. Ontmenselijkt en onmachtig.

Eerst was je een mens met geschiedenis en geliefden, maar eenmaal in het systeem van de luchthaven of grenscontroles valt alles weg en heb je enkel je paspoort nog nodig als bewijs van wie je bent. Alleen reizen met het vliegtuig voelt eenzaam. Zelden krijg je echt menselijk contact. Een vluchtige glimlach, een menselijke herkenning. Waarom zou ik ook mogen verwachten dat er een beetje vriendelijkheid zou mogen zijn. Ze zien er duizenden passeren, als vee. Net als de grenswachters. Wat rest is het nummer op je ticket en je visa-kaart. Maar met deze laatste kan je een greintje menselijkheid kopen. De menselijke identiteit ligt in onze maatschappij te dikwijls in handen van je koopkracht, kleur, afkomst en geboorteplaats. Ik ga in gesprek met de plant in de lobby.

Ter
wijl ik wacht in de boardingroom in Chicago verschijnt er een beeld op het nieuws van een verdronken meisje en haar verdronken vader. Een ondraaglijk beeld. Het raakt mij diep. Het beeld wordt nog ontiegelijk schrijnender met het verhaal erbij. Op zoek naar een betere wereld voor zijn dochter probeerden ze de grens over te steken, maar ontnuchterd door de grenzeloze onmenselijke bureaucratie van het systeem en de te grote wachtrij, zochten ze naar andere wegen. De frustratie en de onmacht zal hem te groot te geworden zijn toen ze de Rio Grande probeerden over te steken. Het water lijkt ogenschijnlijk rustig, maar de onderstroom was te sterk. De vader slaagde erin het meisje naar de andere wereld te brengen, maar ze raakte in paniek toen ze alleen in deze nieuwe wereld stond en haar vader terugzag keren om haar moeder te helpen. Angstig liep ze terug het water in, en werd ze gegrepen door het wassende water. De vader probeerde haar nog te redden, maar beide verloren er hun leven.[13] De klimaatproblematiek zal de volgende jaren deze migratiestroom naar leefbare gebieden waarschijnlijk nog versterken, met meer van deze tragedies als gevolg.

Mijn hotel lag op een parallelweg van de snelweg van Sacramento naar San Francisco, geklemd tussen een braakliggend parkeerterrein en een domino’s pizzeria. Het was een autoboulevard waar honderden bolides aanlokkelijk probeerden te wezen. Er was een supermarkt met een aantal kleffe restaurantjes, blinkende autogarages, een Taco Bell en een Starbucks-koffiebar. Het Mc Donalds-restaurant stond in de stijgers omwille van een verbouwing, maar was toch al naarstig op zoek naar nieuwe werknemers die met een rood petje de gasten wilden bedienen.

Ondertussen sprongen in Nederland muizen vrijwillig van een brug. Het leek op een collectieve zelfmoordpoging schreef de Nederlandse krant online. Er was ook een filmpje te zien van de man die de muizen netjes opruimde om de catastrofe te verdoezelen. Een overlevend exemplaar liep verdwaast tussen zijn dode soortgenootjes weg van de camera. Muizen, net als lemmingen, jagen elkaar op, als de populatie te hoog wordt tot ze over de rand lopen. Een zelfregulerend mechanisme als je het objectief zou benoemen. Het zijn vooral de jongere en zwakkere muizen die door hun soortgenoten worden opgejaagd. 

Het zijn heus geen domme diertjes getuigde een andere bioloog in de krant.[14] Als je wordt opgejaagd, en in paniek raakt heb je geen overzicht van de dingen. Mensen reageren op dezelfde manier, zei hij. Het was niet echt een geruststellende gedachte en doet me weer denken aan het dode meisje en haar vader in de Rio Grande. En dit beeld doet me weer denken aan die andere beelden van dode, en zwalpende migranten op zee. Maar ook aan de kapitein van het schip die werd aangehouden door de Italiaanse politie voor het proberen te redden van deze hopeloze drenkelingen.[15]Het doet me denken aan de mensheid, die niet in paniek mag raken in het antropoceen. Fait divers. De dagelijkse krantenberichten.

Het Amerikaanse ontbijt bestond hoofdzakelijk uit plastiek en karton. Een beter begin van de dag voor een ecologische conventie kan je je niet indenken. Tijdens het ontbijt stond de televisie altijd aan. Een opgewonden vrouwenstem vertelde de feiten van de dag. Ze toonde een roodgekleurde kaart van Europa. Er werd een hitterecord gebroken. En toen nog één. En nog één. Het was eerst de warmste dag ooit in Frankrijk. Daarna kwam de nieuwe warmste dag ooit gemeten in Frankrijk. Het werd de nieuwste warmste week. We zouden nog veel records gaan breken, zei een wetenschapper in de nabeschouwing. Het nieuwe normaal zou geen stagnatie zijn, maar een aaneenschakeling van records. Wij mensen houden van records. En ergens te midden van al die records in Europa,[16] zaten mijn zoontje en vrouw te puffen in de zon. Wat miste ik ze hard.

De universiteit van Davis en het nabijgelegen park leken een afspiegeling van de tuin van Eden, met waterpartijen, groene grasvelden, en bomen die verkoeling brachten. Het was een perfect onderhouden, gecultiveerd landschap vol blije mensen die overliepen van de groene en ecologische gedachten. Tijdens de middag kwamen er schattige grijze eekhoorns onbeleefd en opgewonden bedelen voor een hapje van je lunchpakket. Ik hou niet van bussen (te druk) of taxi’s (te duur/niet ecologisch) dus vervoerde ik mezelf tijdens de conferentie met een rode huurfiets. Het lukte me om via parken, bossen en een mooi onderhouden fietspad over een oude spoorbedding tussen de bomen dagelijks te pendelen van mijn hotelkamer naar de universiteit, en weer terug. 

Ik fietste langs de groene buitenwijken van de stad, de verwezenlijking van de Amerikaanse droom. Grote alleenstaande huizen met perfect getrimde en onderhouden grastuintjes, rustige straten die uitlopen op basketbalveldjes, speeltuinen voor de kinderen, parken en grasvelden. Zo vredig, kalm, gestructureerd, te comfortabel, haast te perfect. Het leek alsof ik rondfietste in een Amerikaanse filmset, en net als in de film gingen de sprinklers rond een uur of negen aan om de gazonnetjes en parken te besproeien. Toch voelde het allemaal tegelijkertijd ook een beetje vreemd aan, alsof er iets in al de perfectie niet leek te kloppen. Ik kon het niet precies identificeren waar het gevoel vandaan kwam, maar ik begon het onkruid te missen, de muggen, de toevalligheden en alles waar ik me normaal aan zou ergeren. 

De volgende dag verliet ik de schoonheid van de buitenwijken, de parken en de universiteit, en ging op zoek naar het tegengestelde. Daar zoek ik namelijk graag naar. Ik zocht naar de ondergrond. Het verborgene, het aan de rand liggende, marginale, grensland van deze consumptie gedreven maatschappij. Het onzekere wasteland, de Zone. Ik moest er niet lang naar zoeken. Aan het kruispunt aan de autoboulevard, de snelweg en nog een andere weg die ik niet kan benoemen, stond een vrouw van in de veertig te lang te wachten aan de lichten. Veel te lang. Verward lang, in zichzelf verkeerd door een intoxicatie. Ze leek iets te zoeken en ook te willen zeggen, maar ze reageerde niet toen ik haar aansprak. Langs de brug over de snelweg, aan de op- en afritten zag ik ze voor het eerst. De uitgespuwden van de Amerikaanse droom van de groene buitenwijken. In de opgedroogde grachten hadden ze hun nederzettingen gebouwd met achtergelaten plastiek en geïmproviseerde tenten, waar bij sommige trots een Amerikaanse vlag stond te wapperen. Zelfs als de droom al lang vervlogen is, wordt hij nog steeds gekoesterd. Ze woonden hier onmerkbaar voor de gewone voorbijganger, deze onzichtbaren voor de maatschappij, netjes weggestopt voor de kooplustigen.
Later op de dag, op een zijweg aan de achterkant van een afgeleefd Taco-restaurant ontmoette ik Carlos. Hij sliep achter een verlaten vangrail, naast een spoorlijn. Kamperen noemde hij het. Hij kampeerde al meer dan 25 jaar in de buitenlucht. Hij onderhield met veel liefde en toewijding zijn geïmproviseerde bloementuintje aan de splitsing van de weg al meer dan 15 jaar, maar nu kon het niet meer. Onder enkele bomen, die over het gekwetste asfalt groeiden lag een oude hark en ander tuingerief. Ik gaf hem een briefje van tien dollar. ‘Wat is dit’, vroeg hij? ‘Een briefje’, zei ik. ‘Van wat?’, vroeg hij. ‘10 dollar’. Hij kon niet meer zien. Eerst had hij last gekregen van Cataract en daarna van Glaucoom. Een wazige, blinde vlek die zich blijft uitbreiden, als er geen medische behandeling volgt. Door zijn situatie kwam hij echter niet in aanmerking voor gezondheidszorg in zijn land. Hij zag nu niets meer. ‘Je zicht is iets heel belangrijk’, zei hij. ‘Het is pas, als je niet meer kan zien, dat je weet hoe hard je het zicht mist’. Niet kunnen zien. Ik durfde het mezelf niet voor te stellen. De zon was aan het zakken en beroerde enkel nog zijn ogen en voorhoofd. De rest van hem stond verhuld in de schaduw. 




Tijdens een wandeling naar Putah Creek, later op de week vroeg een vrouwelijke onderzoekster welke beelden ik hier zou maken als fotograaf, in het landschap van Sacramento. Op de heuvelruggen konden we de sporen van de felle bosbranden die vorig jaar de regio in lichterlaaie hadden gezet nog zien. Ze was, naast onderzoeker ook schrijfster en haar nieuwe boek zou binnenkort worden gepubliceerd. Ik ben de titel vergeten, net als haar naam, maar ik vergeet zo veel dingen met woorden. Ik vertelde dat ik het niet precies wist, of toch zeker nog niet wist wat ik hier zou doen. 

Ik zou verder onderzoek moeten doen naar het landschap, de geschiedenis, de biodiversiteit, en over alle dingen die zouden moeten worden onderzocht. Maar ik had het, de kern van iets wat ik nog niet kon definiëren, nog niet gezien. Hoewel ik het had geprobeerd. Zeker wel, maar het zat in een blinde vlek die ik niet benoemen kon. Ik had het Amerikaanse landschap verkend, doorzocht. Zoals steeds vooral gezocht naar de niet voor de hand liggende dingen, en ook deels gevonden. Maar toch leek het, alsof het niet-voor-de-hand-liggende deze keer net wel voor de-hand-liggend was. Alsof ik mezelf in een zelf-bevestigingsvooroordeel had laten lopen, in mijn eigen vooropgezette val. Had ik immers niet exact dat gevonden wat ik zocht? De rafelrand van de Amerikaanse droom? 

Waterdamp is een nog gevaarlijker broeikasgas dan C02 leerde ik op het congres van de bekende klimaatwetenschapster Inez Fung.[17] Bepaalde wolken reflecteren de warmte sterker terug, waardoor er nog meer water verdampt en meer waterdamp vrijkomt.[18] Het is een kettingreactie die zichzelf opnieuw versterkt. Een kettingreactie, door ons handelen in gang gezet, en die de temperatuur nog verder zal laten stijgen. Woongebieden worden onleefbaar door de hitte of zullen onderlopen, er zullen bosbranden zijn die levens bedreigen en andere natuurrampen zullen frequenter plaatsvinden. Mensen zullen massaal migreren om te ontsnappen aan deze aankomende catastrofe. Ze zullen een nieuwe plek moeten zoeken, maar waar kan die nieuwe plek liggen? Ik moet ineens denken aan het verdronken meisje en haar verdronken vader, de muizen, de drenkelingen in de zee, de gevangengenomen kapitein en Latour.[19] De bevlogen klimaatwetenschapster sluit haar presentatie af met verbluffende satellietbeelden van de wereld, en vertelde dat we geen horrorbeelden moeten laten zien. We moeten mensen laten zien hoe mooi onze planeet wel niet is. We moeten ze van de aarde leren houden. Toch gaan wolken van waterdamp nooit meer onschuldig lijken als ik ze opnieuw ontmoet, ook niet als hyperobject.[20]

Ik kreeg, naarmate de dagen vorderde stilaan genoeg van het continu herformuleren, herkauwen en herdenken van dezelfde theoretische woorden en begrippen over het antropoceen. Wat me het meest raakte, waren de persoonlijke getuigenissen waarbij het studium van het antropoceen overging in een punctum, zoals bij Inez Fung. Wanneer er vertwijfeling aan het woord kwam, en disciplines aarzelend werden overschreden. Als er een werkelijke oprechtheid te vinden was in het verhaal, en niet louter een academisch wapengekletter over het scherpste of meest juiste woord. Als er vanuit noodzakelijkheid werd gedacht om in actie te komen. Zo raakte ik in de ban van de dichter Adam Dickinson die zijn bloed liet analyseren, en via deze analyse het antropoceen zag weerspiegeld in zijn staal en in zichzelf.[21] Ik ontmoette een klimaatwetenschapper, die de waarachtigheid en objectiviteit van data niet meer kon verdragen en activist werd om werkelijk iets te willen doen aan de huidige situatie.[22]

Er was het verhaal van de vrouwelijke schrijfster Nicole Walker die haar persoonlijke leven kon vervlechten met verschillende tijdschalen, met een vleugje -wanhopige- humor.[23] Ze schreef over het nieuwe normaal, vooraleer het nieuwe normaal zich bij ons vestigde als woord in onze taal bij de uitbraak van het coronavirus. 

De lezing die ik er mocht brengen handelde over mijn onderzoeksproces en de casus ‘Transit’ in het bijzonder. Ik vertelde over het concept van ‘The Sustainist Gaze’, en hoe het gebruik van organische pigmenten mijn beeldvorming en denken over/met het landschap had getransformeerd in de sessie ‘Make it new: Transcending Environmental Boundaries in Words and Images’. Mijn werk werd en onderzoek werd goed ontvangen, maar ik bleef met een vreemd schuldgevoel in mijn maag zitten. Was het nodig om naar hier te vliegen? 

Het was op de ochtend dat ik vertrok, in de bus naar de luchthaven van Sacramento, ’s morgens om 5h00 AM dat ik het pas langzaam begon te begrijpen. Ik had het overduidelijk gezien, maar niet op tijd begrepen. De blinde vlek, lag niet in mijn oog, maar in mijn hoofd. Het onderwerp lag deze keer niet in de zijlijn, niet in de marge. Het was zo overduidelijk in het zicht dat het niet meer opviel. De ecologische catastrofe had zich verscholen in het volle zicht -hiding in plain sight-. 

Het was het smetteloze gras, dan ondanks de hitte zo verrassend groen en fris was. Zo aanlokkelijk. Elke avond werd het gras besproeid met duizenden liters water om het te esthetiseren, als een vervolmaking van het Amerikaanse stereotype. Er was geen ruimte voor het natuurlijke. Kort gemaaid gras is een gecultiveerd gewas dat het landschap koloniseert. Een oude voorbijgestreefd teken van macht. Zonder enige andere functie. Hoewel in het gras liggen op een zomerdag zo fijn kan voelen. 

Terwijl het gecultiveerde gras binnen de ruimte van de stad en de buitenwijken zo fris, groen en smetteloos stond te blinken door de dauwdruppeltjes die zich aan elk grassprietje leken vast te klampen, stond de rest van het niet gecultiveerde landschap te verdorren onder de warmte van de loden zon. Het groene gras, was in die zin, niet meer dan een openbare luchtspiegeling van de agri-logistieke ruimte. Een onnatuurlijke constructie die zoveel water en herbiciden nodig had om als een artificiële ruimte te kunnen bestaan. 

De catastrofe bevindt zich al te vaak in de schoonheid, in het comfort, en niet in de lelijkheid. Misschien is het grootste probleem dat we te ver zoeken naar de verborgen oorzaken, die gewoon in het volle zicht liggen. Zelfs niet verborgen, maar onzichtbaar voor onze menselijke kooplustige blikken. Misschien willen we het gewoon niet zien. 

Na de conferentie was er één van de overblijvende woord dat bleef hangen: rouw. We moeten in rouw zijn voor het verlies van de natuur, we moeten leren omgaan met het verlies van de biodiversiteit. En ook de harde wetenschappen moeten leren rouwen over het verlies van dier- en plantensoorten. Maar we rouwen misschien over het verkeerde. We moeten niet alleen rouwen over wat we verliezen, maar ook rouwen over waarvan we afscheid we moeten nemen om een verdere aftakeling van onze planeet te vermijden. 

Neem dus afscheid van het frisgroene gras, neem afscheid van de autoboulevard met zijn verleidelijke muscle cars, neem afscheid van de plastic bordjes bij het ontbijt op de kartonnen bordjes met een papieren bekertje verpakt in plastic om steriel te houden. Neem afscheid van de energieverslindende klimaatregeling in de hotelkamer. Neem afscheid van het vliegtuig en conferenties. Neem afscheid van je comfort. 

Verwelkom de nieuwe wereld. De hitte en het verdord gras. Verwelkom al het nieuwe ongemak, en de onzichtbaren in de grachten. De drenkelingen in het water. Zij zijn de voorbode van wat komen gaat, en waar we mee gaan moeten leren leven als geen actie ondernemen. We zitten in een vliegtuig schrijft Bruno Latour in zijn boek, en we weten niet meer waar we moeten landen.[24] Het vliegtuig blijft rondcirkelen in de lucht op zoek naar een bestemming. Sommige stemmen vragen de piloot om terug te keren naar de vertrekplaats, maar ook deze is onbereikbaar. Dus blijven we cirkelen in de lucht en blijven de lucht volspuiten met kerosine en koolstof. Waar zullen we landen?

Mijn vliegtuig naar huis kon niet vertrekken. Ik werd met een taxi, op kosten van de vliegmaatschappij, van Sacramento gereden naar San Francisco om van daaruit te vliegen naar Frankfurt. Langs de wegen zag ik de vele geïmproviseerde nederzettingen van de uitgestotenen. De taxirit duurde meer dan drie uur. Het verkeer in San Francisco stond stil. De lucht in San Francisco leek anders, dan die van Sacramento. Er zat veel waterdamp in de lucht, en dit maakte me licht oncomfortabel. 

Wat rest er nog voor een fotograaf anders dan te schrijven als hij het niet terplekke heeft kunnen zien, nog heeft kunnen vastleggen. Zal hij rouwen om het gemiste beeld en de tekst verwelkomen? Zal hij rouwen om het gras? Misschien was dit afscheid wel het belangrijkste om mee te dragen.





Denken, handelen, onderzoeken en leren als een rizoom

Eén van de belangrijkste onderdelen voor een plant voor de beslissingsstrategie is het rizoom of het wortelstelsel. [25] Het rizoom, of het ondergronds wortelstelsel van een plant is een buitengewoon fijngevoelig, intelligent netwerk van worteltoppen die de omgeving aftasten, onderzoeken, verkennen en informatie verwerken en doorgeven aan de plant zelf- en aan andere planten, zo stelt Mancuso.[26] Het kan creatieve, en onverwachte oplossingen vinden voor complexe problemen en via de wortelstok kan een plant zich ongeslachtelijk voortplanten. Kleine stukjes van de wortel breken af, en verspreiden zich via water of grondverzet naar andere nieuwe gebieden. Dat deze strategie van verspreiding uiterst succesvol kan zijn, kunnen we zeker terugzien in het verspreidingsgedrag van de Japanse duizendknoop.            

Het rizoom is geen eenheid. Het is een multiple, of een meervoud. Een samenwerkings-verband, of zoals Mancuso het stelt: een zwerm. Planten worden dus geleid door een collectief brein, dat zich over een groot gebied kan verspreiden. Elk stukje wortel vergaart informatie, verwerkt het en geeft het door. Het wortelnetwerk fungeert, volgens Mancuso als een gigantische matrix van sensoren die voortdurend informatie uit de omgeving verwerken.[27] Op deze manier kan een plant, als een meervoudig en gedecentraliseerd systeem zich in de wereld navigeren, zonder kaart. Op zoek naar nieuwe verbindingen en oplossingen in haar veranderende omgeving die veel onzekerheid met zich mee brengt.   

De werking van het Rizoom kan dus, als we even terugkijken naar het baanbrekende werk van Latour de inspiratie zijn voor een nieuwe menselijke oriëntatie in een wereld in transformatie waar we op moeten zoeken gaan naar nieuwe grond.[28] We moeten immers op zoek gaan naar een andere manier van denken, handelen en leven om het hoofd te kunnen bieden aan onze hoofdzakelijke zelfgecreëerde problemen. We zullen dus met al ons kunnen, onze wereld moeten blijvend aftasten, inventariseren en coöperatief als mensheid moeten handelen in samenwerking en solidariteit met alle actoren op onze aarde. Ook Mancuso bewandelt deze piste in zijn boek Plantenrevolutie, hoe planten onze toekomst bepalen (2018).[29] In plaats van centraal gestuurde regimes, kan het uiterst interessant zijn om te leren van de werking van planten en rizomen om als samenleving creatieve oplossingen, verhalen en verbeeldingen te vinden voor de complexe problemen waar we nu voor staan. 

Deleuze en Guattari, conceptualiseerden het rizoom-denken in het boek A Thousand Plateaus (2005).[30] Als tegenwicht tegen het heersende duale en binaire denken, stellen ze voor dat niet-hiërarchische systemen de representatie en interpretatie van gegevens mogelijk kan maken. Onderzoek kan zich op die manier horizontaal uitspreiden over verschillende domeinen, gebieden terwijl het blijvend zijn omgeving aftast, hybridiseert en zich verspreidt. Hoewel de metafoor zoals ze Deleuze en Guattari ondertussen niet meer volledig strookt met de recente ontdekkingen in de kritische plant-studies -het is nog veel complexer en fascinerender-, geeft dit denkmodel de kans om dingen te onderzoeken die zowel dicht- als veraf zijn.[31] Het geeft ruimte tot experiment om onze veranderende omgeving te begrijpen. Het rizoom is het medium, het midden, zonder begin of einde.[32] Het artistieke onderzoek, en de kunsten in het algemeen, kan het medium zijn om nieuwe kennis en complexe problemen te visualiseren, te vertalen en een verandering van denken tot stand te brengen. 

Deze open manieren van aftasten, denken, leren en participatief handelen vormde ook de basis voor dit onderzoek en het project ‘Not In My Backyard’ in het bijzonder,[33] waarbij Niek Kosten en ik voorbij de afgelijnde domeinen handelden, en waarbij ideeën, concepten en materialen zich met elkaar kruisten en hybridiseerden tot nieuw werk en denkpistes. Vanuit de concepten van ‘de kunst van het onderzoek’ van Tim Ingold, Carl diSalvo, Morton en Latour ontdekte we gaandeweg nieuwe theoretische denksystemen die artistiek zeer bevruchtend werkten en ons inzicht verschaften rond de complexe verhoudingen van ons, onze habitat en de plantenwereld.[34] De inzichten van Stefano Mancuso over de intelligentie van planten, en de koppeling hiervan met de kunsten door Prudence Gibson vormde een belangrijk spoor om planten te kunnen zien als intelligente, coöperatieve wezens en de Japanse duizendkoop te betrekken als co-auteur van het project ‘Not In My Backyard’.[35]

Dit ligt volledig in de lijn van de methodologie die de antropoloog Tim Ingold omschrijft als ‘de kunst van het onderzoek’ (2013).[36] Hierbij is elk werk een experiment, niet in de meest klassieke zin van het experiment, maar wel het proberen van het forceren van een opening, nagaan waar het je heenvoert. Iets uitproberen, kijken wat er gebeurt, daarna erop reflecteren en het onderzoeksproces opnieuw te laten beginnen. Op deze manier, stelt Ingold, kan de kunst van het onderzoek zich voortbewegen als een rizoom, in real time, samen met het leven van degenen waarover het gaat, en samen met de wereld en haar actoren. Kunst kan in die zin kritisch zijn door de dingen die we als vanzelfsprekend ervaren te ondervragen, en er opnieuw over na te denken. Wat zeker is, onzeker maken.

In deze vorm van onderzoekend leren, ook wel tweede-orde leren genoemd, wordt elke zekerheid een vraag, waarbij enkel antwoorden gevonden kunnen worden door goed onze omgeving waar te nemen en te experimenteren. Ontdekkingen, zo schrijft Ingold, doe je door vooruit te tasten, te proberen en te anticiperen. Door dit pad te volgen wordt de wereld een studieterrein en kunnen we leren van datgene dat we onderzoeken. Op deze manier laat het onderzoek waarbij de onderzoeksvraag als wortelstok wordt gedefinieerd, steeds nieuwe uitlopers groeien op zoek naar nieuwe ideeën, projecten en inzichten.

Op dezelfde manier, is elke vorm van output -of het nu een publicatie, expositie, of workshop is- een uitloper, die terug te leiden is naar het begin, einde, en potentieel nieuwe kansen in nieuwe milieus en zones. Daarenboven biedt elk uitlopend rizomatisch vertakt idee een uitnodiging tot correspondentie, samenwerking, afstemming en een uitwisseling van informatie met andere mensen en niet-mensen. Hoe risicovol en waardevol dit proces ook kan zijn.


Ontleren als methode om tot nieuwe inzichten te komen             

Om dit nieuwe pluralistische verhaal te kunnen schrijven, moeten we misschien het oude verhaal eerst ontleren en de heersende imaginaire ordes durven in vraag stellen. In het antropoceen kunnen we ons geen gemakkelijk binaire denken, volgens de logica van de agri-logistiek meer veroorloven.[37] Zoals eerder al beschreven, moeten we onze zekerheden durven omkeren naar een onzekerheid. We moeten misschien zelfs onze verouderde stafkaarten waarmee we ons als samenleving oriënteerden archiveren -wie weet hebben we ze ooit nog nodig-, en beginnen met het uittekenen van nieuwe oriëntatielijnen. Deze keer in potlood, met een gebroken punt, en een onzekere geschreven lijnvoering.     

De binaire oppositie, die zich kenmerkt in een aangeleerde tegenstelling tussen cultuur/natuur verhindert ons immers met een andere blik naar ecologie te kijken en alternatieve, meer duurzame verbindingen aan te gaan met onze leefomgeving dan onze huidige verwoestende parasitaire en antropocentrische relatie. Het ontleren van deze tegenstelling, die ons comfort in het denken geeft, is geen gemakkelijke opgave. Het betekent immers het verlaten van de comfortabele brede aangelegde en verlichtte paden, die ons -onder het mom van het neoliberalisme en andere regimes- de hemel op aarde beloofden, maar ons langzaam naar de antropocene hel hebben geleid. Het afwijken van deze brede paden, en het moedwillig verdwalen in een nog nooit betreden gebied, dat zich uitstrekt in zowel sociale, fysieke en mentale milieus stelt onze vermogens sterk op proef.

Het antropoceen eist van ons dat we ons mens-zijn fundamenteel herdenken, net als het feit dat we onze manier van leven, denken, wonen, handelen maar ook leren in vraag dienen te stellen.[38] De consequenties van het antropoceen, en ons menselijke handelen leveren ons immers het geologische en biologische bewijs dat we onszelf een relatie hebben aangeleerd tussen ons sociale en het ecologische systeem die bedreigend is voor beiden. Volgens Adam Whitehouse en zijn collega’s die het artikel ‘The Socioecological (Un)learner: Unlearning Binary Oppositions and the Wicked Problems of the Anthropocene’ (2020) schreven, is ontleren niets anders dan een andere vorm van leren, maar legt het de nadruk op de ontdekking van de tekortkomingen van het aangeleerde model en verplichtingen.[39] Het is een pijnlijk proces, waarbij je oude fouten blootlegt en oude, nog niet volledig genezen wonden publiekelijk terug openrijt. Om ze daarna met nieuwe wondzorgmethodes beter te genezen.

Gedeeltelijk ontleren is dikwijls noodzakelijk om iets nieuws te kunnen ontdekken, omdat het aangeleerde model de blik kan beperken, en ons verhindert om nieuwe paden te ontdekken. Het ontleren van het agri-logistieke model, dat het antropoceen heeft geïnitieerd, kan helpen om de mogelijkheden van een posthuman te overwegen.[40] Ontleren lijkt hierbij op de omgekeerde richting waar Morton het over heeft in zijn boek over de duistere ecologie.[41] Een onsmakelijke metafoor, die volledig in de traditie van het denken binnen de duistere ecologie ligt, zou het inzetten van maden kunnen zijn die het rotte vlees verorberen, zodat de gapende, oude en opnieuw opengereten wondes sneller kunnen genezen. Hoewel afschrikwekkend op het eerste zicht, blijkt het een heel effectieve methode in de wondgenezing.[42] Ontleren brengt onzekerheid binnen de zekerheid. Het maakt de zekerheid onstabiel, waardoor er nieuwe kansen te vinden zijn.     


Een generale repetitie op een veranderende maatschappij

Een treffend voorbeeld kunnen we hier terugvinden in manier waarop Covid-19, een klein onooglijk virus, onze geglobaliseerde en geconnecteerde menselijke samenleving volledig ondersteboven schudde, en waarbij we plotsklaps onze ingesleten gewoontes en vrijheden moesten ontleren om nieuwe modi te vinden om met zijn allen verder te kunnen. Bijna alles wat zeker was, werd onzeker. Al was dit vooral omwille van de verplichting en zeker niet met volle goesting. We ontleerden het handen schudden, knuffelen en warm begroeten, net zoals we de lange files van het woon-werk verkeer ontleerden. Thuiswerken kon gewoon. We ontleerden dat de rekken van de winkels altijd vol liggen met voldoende toiletpapier en ontleerden -al was het tijdelijk- te reizen. Door het ontleren van veel van onze gewoontes, ontdekten we met zijn allen weer nieuwe mogelijkheden en kansen en herontdekte we onze lokale trage wegen.

Maar we moesten ook onze traditionele modi van onderwijs ontleren en in een vol-technologisch bad springen om lesgeven nog mogelijk te maken tijdens de strenge lock-downs via geconnecteerde schermen. Het was een moeilijk, maar ook heel leerrijk proces, om samen met collega’s te zoeken naar werkbare vormen om praktijkgericht onderwijs aan te bieden met alle toen geldende restricties. Tegelijkertijd was het ook leerzaam om te zien, hoe belangrijk -de voorheen- eerder onbenoemde dynamiek was van de informele conversaties tussen studenten en docenten. Hoewel de leerstof/skills door de schermen kon worden doorgegeven, was het uiterst moeilijk om een leergemeenschap te kunnen bieden. Het samen school maken was niet evident.

Tot zover rijkte dus ook de droom om een geschikt onderwijs volledig digitaal te kunnen aanbieden waar technologie de overhand krijgt. Er gaat immers te veel onbenoembaars verloren. Tegelijkertijd hebben we ook geleerd in onze opleiding Fotografie van LUCA School of Arts op campus C-Mine dat we ook niet zomaar terug moeten naar het oude model, maar dat er in een hybride leeromgeving veel kansen zijn te benutten.


De mensen hebben zich teruggetrokken in hun huizen, de economie stokt. In de dierentuinen vragen de beesten zich af, waar het publiek is dat naar hen komt gapen. Het water in de Venetiaanse grachten werd opnieuw helder, en de dolfijnen keerden wonderbaarlijk terug, ook al was het vals nieuws. Hier, boven het huis waarin ik moet blijven, schijnt de lucht blauwer en intenser dan dat ik me kan herinneren. Er is geen wolkenstreep meer te zien van het vluchtverkeer. 

Er woedt een virus in ons menselijk vlees. We zijn opnieuw het vlees geworden. Het verbindt zich met onze eigen cellen en vormt ze om tot lichaamseigen micro-fabriekjes die het in grote aantallen reproduceren en verspreiden, op zoek nieuwe gastheren en -vrouwen. Het komt met een list binnen, en we hebben het zo graag helpen verspreiden over onze wereld. 

De adem van de mensen stokt, net als de economie. Er worden rapporten en berekeningen gemaakt over de betaalbaarheid van het redden van mensenlevens. De tol van de doden worden rationeel afgewogen tegen de markten die opnieuw willen produceren en verkopen. 

Het licht breekt plots anders nu. De boom naast ons huis, die zijn blaadjes in deze lente nu laat ontluiken, lijkt anders, haast te echt, alsof hij plots in een hogere resolutie aan ons verschijnt, door het ontbreken van smog en roetdeeltjes in de lucht. Met meer detail en meer intense kleuren. -Deze neergeschreven zin lijkt haast op een advertentie voor het laatste nieuwe beeldscherm dat ons wordt aangeprezen vanuit de onverzadigbare markt.- Maar is er sprake van een upgrade? Of is het een herstel naar een toestand die we niet meer kenden. 

Het virus speelt met de tijd, en met ons. -Net als de meeste verschijnselen van het antropoceen.- Het verwoestende feedback-effect is nog niet onmiddellijk zichtbaar. De resultaten van ons gedrag zien we pas terug in de statistieken tien dagen later, als de incubatieperiode is afgelopen. De feestjes die we gaven in de vooravond van de lockdown om onze vrijheid te vieren zijn al terug te vinden in de explosie van hoestende koortspatiënten in de overvolle ziekenhuizen. Net als het latente beeld, duurt het tot na de ontwikkeling voor we het resultaat te zien krijgen.

Ik zit, net als velen, binnen vast achter mijn computer. Uren vastgekluisterd achter onze schermen om ons onderwijs anders te organiseren en de lessen te laten doorgaan. Wat missen we de fysieke connectie om anderen te ontmoeten en te corresponderen. Mijn exposities in Londen en Arles zijn geannuleerd, net als mijn workshops en lezing in Madrid. Mijn onderzoek hapert en het project ‘Not in My Backyard’ over de Japanse Duizendknoop wordt noodgedwongen letterlijk in mijn achtertuin gevoerd.[43] Het lokale krijgt door de globale lock-downs een nieuwe betekenis en belang. 

Ieder mens is vatbaar voor het virus, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen. Er is nog geen sprake van gelijkheid, en of we blijvend onze oude, foutieve denken en handelen hebben ontleerd, moet nog blijken. We hebben alleszins kunnen zien, wat er anders kan.


Volgens Bruno Latour vormt Covid-19 een generale repetitie waarbij we werden blootgesteld aan een globale parameter die onze maatschappelijke structuren stevig doorheen schudde.[44] De gedwongen bezinning, als in de vorm van een verplichte lockdown, ziet hij als een moment van vasten. ‘Het is een periode’, zo schrijft Latour, ‘die een gelegenheid kan zijn om na te denken over wat belangrijk is en wat niet belangrijk is’. Deze crisis, kan dus de generale repetitie vormen voor de volgende crisis, en de daaropvolgende. Hij ziet daarbij de interventie van het virus als een ideaal moment om ons als menselijke westerse samenleving te heroriënteren voor een andere omgang met alle ecologische actoren. Het perspectief waarbij we enkel over een menselijke samenleving spreken, met mensen onderling, zonder de ander actoren in rekening te nemen slaat volgens Latour nergens meer op.[45] Of we iets gaan leren van deze generale repetitie valt nog af te wachten.


De kracht van de onwetende meester en weke methodes       

Het antropoceen brengt ons in een positie waarbij we als menselijke soort op zoek moeten gaan naar nieuwe paden, oriëntatiepunten en denkwijzes. Dit brengt met zich mee dat we ook de manier van leren moeten herbekijken, en wat leren binnen het antropoceen zou kunnen betekenen. Wat betekent leren in een onzekere toestand, waarin de heersende paradigma’s geen oplossingen meer kunnen bieden. Daarom zullen we de mechanismes die deze paradigma’s in stand houden moeten ontleren en deconstrueren om nieuwe keuzes, ideeën en oplossingen te kunnen visualiseren.   

Een sustainist gaze, zoals later in dit onderzoek verder zal worden geconceptualiseerd, kan een interessant perspectief bieden om de blinde vlekken in ons zien, en zijn, te ontdekken en er voorbij te kijken. Net omdat deze onzekere blik voorbij de binaire opposities durft te zien en de dominante antropocentrische blik probeert te ontleren.

Ontleren betekent immers alles in vraag durven te stellen, op dezelfde manier als een nieuwsgierig kind dat de wereld probeert te begrijpen alles in vraag stelt. Waarom? Hoezo? Waarom dan? ‘Omdat het zo is’, vormt in de meeste gevallen dan wel een volwassen, maar zeker geen bevredigend antwoord voor het kind.


Het brengt mij tot een bijzonder moment enkele jaren geleden toenik met ons zoontje van toen nog twee jaar fiets door een bos. Er heeft een zware storm gewoed en het bos, waar we door fietsen, heeft het zwaar te verduren gekregen. Vele bomen zijn geknakt en liggen zielloos tegen de grond. ‘Hebben die boompjes pijn?’ vraagt hij. Ik zeg met een zo volwassen mogelijke stem ‘nee’, waarop hij vraagt ‘waarom?’. Ik moet slikken en twijfel over zijn vraag. ‘Waarom?’ Nog steeds aarzelend zeg ik: ‘Nee, hoor, boompjes voelen geen pijn’. Het is een perfect agri-logistisch antwoord, maar ik twijfel en slik het onbehaaglijke gevoel weg. Mijn zoontje twijfelt ook. ‘Waarom?’, vraagt hij. ‘Omdat het zo is’, breng ik uit. 

Enkele weken later lees ik een fantastisch boek over het verborgen leven van bomen van Peter Wohleben.[46] Bomen blijken met elkaar te kunnen communiceren via rizomen en een ondergronds schimmelnetwerk, ze kunnen keuzes maken en hebben een gevoel. Ze voelen! Ze voelen weliswaar anders dan wij, maar kunnen pijn ervaren. Hoe kan het, dat een kind van twee, intuïtief mee kan leven met een boom, en waarom kostte het mij zoveel moeite om gewoon toe te geven dat ik het niet zeker wist?

Er gaat opnieuw een bos tegen de vlakte, vlak tegenover het huis waar we met z’n drieën wonen. Ons zoontje, op dat moment, nog steeds twee jaar, begint onophoudelijk te huilen bij het zien van de vallende bomen en het gehuil van de kettingzaag. Hij huilt omwille van de bomen, en het verlies. Hij treurt omwille het verlies van de habitat van de dieren die er woonden, en de pijn. Hij voelt zich solidair, en deze keer ween ik met hem mee.


Dit kleine voorval veranderde mijn inzichten rond het antropoceen, ecologie, opvoeden, lesgeven en artistieke praktijk sterk. Ik zag het immers altijd als mijn taak om dat kleine wonderlijke mensje, samen met mijn liefhebbende vrouw op te voeden en het alles te leren wat we wisten over de wereld. Maar in plaats daarvan leerde hij ons ontleren en onze leefomgeving op een andere niet-binaire manier te benaderen. Dit moment vormde een werkelijke schok waarbij de zekerheid veranderde in een onzekerheid, en ruimte schiep voor nieuwe manieren van zien en zijn.     

Dit inzicht benoemde me plotsklaps tot een deels onwetende papa voor het leven. En niet alleen tot een deels onwetende papa, maar ook een deels onwetende meester, kunstenaar, gids, schrijver en een al even deels onwetende, maar doch rigoureuze amateur-wetenschapper. Ik hield me voor om nooit nog vanuit een zelfingenomen, bewust of onbewust, aangeleerde standvastigheid te spreken, maar om samen met ons zoontje, mijn studenten, reisgenoten en de andere actoren in onze wereld te blijven ontdekken, in vraag te stellen en te onderzoeken. Het is geen makkelijke grondhouding, maar wel één die het mogelijk maakt om te blijven ontdekken en je te laten verwonderen door de alledaagse dingen die niet alledaags blijken te zijn. Het is een manier van dwalen, en als je dit vertaalt naar een educatieve context, gaat het over samen dwalen, samen je weg eigen maken en samen ontdekken om zo nieuwe gedeelde waardevolle betekenissen te creëren. Een vorm van weke pedagogie, waarin een open, kritische en onderzoekende grondhouding een vereiste is.[47]

Het is een milde vorm van het concept van de onwetende meester van de filosoof Rancière waarbij hij voorbijgaat aan de traditionele praktijk waarbij de wetende leraar zijn onwetende studenten onderwijst.[48] De onwetende meester gaat echter uit van een principe van gelijkheid en openheid. Ik schrijf nu deels onwetend omdat ik, in de gedaante van de vreemde vreemdeling, zowel niet volledig onwetend kan zijn, nog- volledig wetend.[49] De deels onwetendheid vormt een onzekere, twijfelende grondhouding, die tegelijk kritisch- en zelfkritisch is. De deels onwetende meester durft zijn twijfel te uiten, en het principe van gelijkheid startpunt te gebruiken voor een collectief onderzoek.          

Deze vorm van emancipatoire gelijkheid kan een interessante manier zijn, niet alleen binnen het onderwijs, maar ook om tegen het antropoceen en haar paradigma’s in te gaan. Het heft hiërarchie van de domeinen op, waarbij een kennisdeling tussen de wetenschappen, de kunsten en andere disciplines makkelijker wordt. Het concept van de onwetende meester gaat er immers uit van het principe dat we altijd iets van elkaar kunnen leren. Wat de deels onwetende meester daaraan toevoegt, is de erkenning van de expertise die is opgebouwd, maar deze zekerheid continu in vraag stelt, en ook in een onzekerheid durft te veranderen. Het ontkracht tevens ook de alwetende genialiteit van de kunstenaar die soms samenwerkingen tussen de disciplines in de weg kan staan, want ook hij is deels onwetend.

Deze opvatting, ontstaan uit mijn praktijk als docent, onderzoeker en papa van Louis stroken met de opvattingen van niet alleen Jacques Rancière, maar ook met Tim Ingold en John Dewey die stellen dat het doel van educatie het samenbrengen is van generaties en het koppelen van de kinderlijke nieuwsgierigheid en gevoeligheid met de wijsheid opgebouwd uit ervaringen.[50] Het is net door de afstemming en correspondentie tussen deze twee, en het beantwoorden van elkaars vragen dat je als persoon wordt gevormd. Het gaat niet louter om het incorporeren en leren van de exacte boodschap, maar net in de uitwisseling van de verschillen waarbij ieder lid van de gemeenschap iets kan geven waar iemand anders van kan leren. Het zijn net deze verschillen die een persoon laten uitgroeien tot wie hij is. Onvolwassenheid is hier geen zwakte, maar net een kracht om te willen groeien en te ontdekken. Dit model vereist een openheid om boodschappen te kunnen ontvangen van ieder lid van de leer-gemeenschap. Deze manier van leren gaat dus niet uit van een zuivere transmissie van leerstof, maar van een dialoog tussen gelijken waarbij het samen groeien centraal staat.             
De taak van de deels onwetende meester is, zeker binnen de kunsten, niet om de heersende paradigma’s in de studenten te stampen, zodat ze deze perfect kunnen herhalen en perfectioneren. Deze vorm van onderwijzen lijkt nog het meest op de manier waarop het voedsel in de eenden-magen wordt gepompt binnen het agri-logistieke systeem van heerlijke Paté-productie. The horror! Het is belangrijker om de paradigma’s te duiden, en samen met studenten deze te onderzoeken en te onderwerpen aan een kritische reflectie. Een belangrijke taak van de deels onwetende meester is de student te helpen, en te coachen zijn eigen paden te zoeken, niet alleen in de leerstof of het onderzoeks-domein maar ook in het leven.


Op zoek naar een weke, kritische, onderzoekende en educatieve grondhouding            

Deze experimentele, weke, kritische en onderzoekende grondhouding, waarbij we proberen niet te vervallen in een vooringenomen perspectief, heb ik samen met mijn collega’s van Luca School of Arts ook in het onderwijs geïntegreerd in de onderzoeksmodule Shifting Grounds en in het vak Experimental Technology and Hybrid Media. Concreet betekent dit dat in navolging van de concepten van Ingold, Deleuze en Rancière we -als deels onwetende meesters- samen met onze studenten elk semester opnieuw in een thematisch onderzoeksgebied worden ondergedompeld. Deze manier van rizomatisch samen zoeken, vormt een interessante manier om verder te ontwikkelen en opent veel mogelijkheden tot een inspirerende, dynamische, actieve en participatieve leeromgeving.       

In het vak Experimental Technology and Hybrid Media leggen de studenten mee de basis van het curriculum, de leerstof en het experimentele onderzoek.[51] We zien onze studenten als een gelijke in het educatieve proces, waarbij we ze bij de zoektocht naar nieuwe vormen van beeldvorming zo goed mogelijk begeleiden. Als docenten hebben we de expertise van het zoeken, en dragen we kennis mee. Onze studenten, digital natives, hebben verfrissende manieren om over beelden te denken, en via dialogen tussen studenten en docenten, maar ook onderling bouwen we elk jaar een nieuwe cursus op. Ook kunnen we terugvallen op wat er voordien door vorige generaties van studenten is geproduceerd om hier al dan niet aan verder te werken. Op het einde van de module geeft elke student een workshop aan de andere studenten, en vormen de geschreven papers na een peer-review en extensief editingproces de leerstof. Ze blijven dus niet enkel student, maar worden zelf ook deels onwetende meesters. We merken dat onze studenten via deze methodiek een grotere betrokkenheid tonen, en dat de kennis beter bijblijft dan bij de leervormen waar transmissie centraal staat. Deze onzekere pedagogische praktijk, zorgt jaarlijks voor een andere inhoud, die mee wordt uitgetekend en gedragen door de studenten. Jaarlijks groeit de expertise op deze manier aan, en vertakt ze mee met elke student.            

Voor de onderzoeksmodule Shifting Grounds trokken mijn collega en onderzoeker Niek Kosten en ik het gelijkheidsprincipe van de onwetende meester harder door, door de Japanse Duizendknoop, één van de meest invasieve plantensoorten in onze gebieden, mee te laten participeren in het proces. We zagen haar niet als een studie-object, maar als een actieve actor in het onderzoeks- en leerproces. Ze werd samen met ons een onwetende-meester waarmee we als gemeenschap in dialoog gingen, en hier ons verder onderzoek door lieten leiden. In plaats van over de plant heen te observeren en haar te objectiveren maakten we gebruik van de antropologische onderzoeksmethode van participerende observatie door met de plant samen te studeren door middel van veldwerk, en ervan te leren. Het was het startpunt van vele verrijkende conversaties waarbij de plant langzaam van haar gestigmatiseerde en xenofobe label afgeraakte, en we met zijn allen een vreemde bewondering voor de overlevingsstrategieën kregen voor de plant, en zelfs een emotionele band. Ze werd een vriendin, die als we haar tegenkwamen op ons pad, vriendelijk begroeten en respecteerden.

Het klinkt misschien vaag, maar het gebeurde wel. Het is niet makkelijk studenten van verschillende disciplines, zoals gamedesign, animatie, product-design, film of fotografie die het liefst van al zich in hun digitale filterbubbel lijken te bevinden, te engageren of enthousiasmeren over een maatschappelijk verguisde plant. Toch zorgde de methode van de onderdompeling en participatieve observatie,[52] en door de Japanse Duizendknoop als een gelijke te behandelen voor een merkwaardig verhoogde vorm van wisselwerking tussen ons, de plant en onze omgeving. Wat er gebeurde, was dat de plant plots mee een actor werd in het proces, en daardoor ook zichtbaar werd. We ontleerden eerder onze modus van plantblindheid om hierna een vernieuwde connectie met de plant op te bouwen vanuit een gelijkwaardigheid, en waarbij we rekening hielden met onze en haar agenda. onderzoeksmodule wordt verder ontleed in het boek en hoofdstuk Not in My Backyard.

Tim Ingold schrijft hierover: ‘Het betekent dat als onderwijs gaat over de zorg voor de wereld waarin wij leven, en voor de vele menselijke en niet-menselijke bewoners daarvan, het er niet zozeer om gaat hen te begrijpen, maar om hen weer aanwezig te laten zijn, zodat wij kunnen luisteren naar en reageren op wat zij te zeggen hebben’.[53] Het moment dat de Japanse Duizendknoop aanwezig werd, was een ‘magisch moment’, zoals filosofen Jan Maschelein en Maarten Simons het omschrijven.[54] Het onder de aandacht brengen, aanwezig maken van actoren die worden genegeerd, is tevens een politieke daad, zo schrijft Rancière, en daarom zijn educatieve en participatieve praktijken binnen de kunsten net zo krachtig.[55]


‘It is about the magical moment when something outside of ourselves makes us think, invites us to think or makes us scratch our heads. In that magic moment, something suddenly stops being a tool or a resource and becomes a real thing, a thing that makes us think but also makes us study and practice. It is an event in the strong sense of the word’.[56]

J
an Maschelein & Maarten Simons, In Defence of the School: A Public Issue, 2013


In mijn onderzoek naar strategieën om tegen het antropoceen te ageren, is educatie daarom onlosmakelijk verbonden met mijn artistieke praktijk. Het is een middel om de ‘magische momenten’ te gebruiken, en nieuwe modi van -zien- en -zijn-, te kunnen uitdragen en corresponderen.

De educatieve praktijk, waarbij gelijkheid tussen mensen en niet-mensen wordt gehanteerd, is een uitnodigende en krachtige methode om bestaande patronen, zoals het agri-logistieke denken te ontleren en plaats te maken voor een hernieuwde pluralistische visie op ons ecosysteem. Weke vormen van educatie en participatiekunnen gebruikt worden om een steeds groeiende polarisatie in het ecologische debat tegen te gaan.[57] Verschillende meningen en tegenstrijdige posities kunnen in een weke leeromgeving immers worden aangehaald als een grondstof om uit te leren, aandacht te geven en het kritische denken over de eigen positie te vergroten.

De educatieve aspecten binnen mijn onderzoek spelen zich niet enkel af binnen het institutionele onderwijssysteem, maar vinden hun grond, net als rizomen, ook in andere milieus. Door het initiëren van workshops, en meerdaagse participatieve projecten voor verschillende soorten publiek en het toepassen van weke educatieve methodes leerde ik hoe geschikt deze aanpak kon zijn, om complexe problematieken bloot te leggen. Vanuit de kunsten zien we sinds de jaren 2000 een sterkere interesse terugkomen in de artistieke praktijk vanuit kunstenaars, curatoren en instellingen. Deze educational turn handelt over kunstprojecten waarbij de artistieke en curatoriële praktijk zelf als een uitgebreide educatieve praktijk wordt aanzien.[58]


Workshops als weekmakers

Net zoals de schoonheid in kunst een list kan zijn om een ongemakkelijke boodschap over te brengen, en om deze binnen te laten dringen in het mentale gebied van de toeschouwer, kunnen workshops een speels maar ook krachtig middel zijn om urgente, maar ook complexe ecologische boodschappen uit te wisselen met de deelnemers. Veel meer, dan een lezing, kan de workshop als weekmaker functioneren om de hersencellen van de deelnemers ontvankelijk te maken voor nieuwe ecologische ideeën en concepten, en oude denkbeelden speels te ontleren.

Het anthotype-procedé, gekoppeld aan een veldonderzoek bleek uiterst geschikt, om vermomd als een skill, de relatie tussen plant en mens te kunnen herdefiniëren en andere modi van zien, en zijn, te initiëren bij de deelnemers. Gedurende dit artistiek onderzoek initieerde ik diverse workshops voor wisselende doelgroepen, en de reacties waren unaniem positief. Door de deelnemers onder te dompelen in de materie, en deel te laten uitmaken van het onderzoeks- en leerproces ontstonden er een interessante dynamiek en zelfs dialoog met het landschap en alle actoren. Het onzekere karakter van het anthotype-procedé, omdat het afhankelijk is van zovele parameters, zorgt ervoor dat je als deelnemer gedwongen wordt om op een onderzoekende, experimentele manier te werken en samen te werken. Het zorgt er tevens voor dat ik -of ik het wil of niet- een deels onwetende meester blijf, en moet blijven improviseren en dwalen in methodes en grondstoffen, naargelang de omstandigheden.

Ik hanteerde deze strategie voor wisselende doelgroepen en contexten, en creëerde korte formats voor kinderen in het kader van tentoonstellingen in Z33 of wetenschapsdagen, maar ook voor een gemengd publiek in het MUDAM te Luxemburg, C-Mine en Z33. Daarnaast gaf ik nog een workshop voor veldbiologen in het Ecotron, een klimaatsonderzoeks-laboratorium in Maasmechelen van de UHasselt. Workshops, gespreid over een aantal dagen en langdurige participatieve projecten met een divers deelnemersveld, gaande van wetenschappelijke experts, filosofen, fotografen en lokale inwoners vonden plaats in het ‘mijnKOOL’-project in Genk, of in Atelier Luma te Arles. Het geven van lezingen binnen een academische of museale context vond ik tevens een belangrijke taak, maar ik merkte dat een gemengde vorm waarbij de anthotype participatief werd gepraktiseerd en onderzocht veel meer impact genereerde, en waarbij het uitbreken uit de academische of museale context belangrijk was om een groter maatschappelijk draagvlak te kunnen creëren en correspondenties en uitwisselingen met het publiek of de gemeenschap mogelijk te maken.    

De vraag die ik in elke workshop of participatief project naar voor probeer te brengen is op welke manier we ons antropocentrische perspectief kunnen verplaatsen naar een Sustainist Gaze, en wat er gebeurt als we planten mee betrekken als participant, in plaats van ze als studie-object te beschouwen. Werken -met- in plaats van werken -over- is een groot verschil. In het studentenproject dat we organiseerden als onderdeel van ‘Not in My Backyard’ stond de Japanse Duizendknoop centraal, waarbij de plant als volwaardige participant in het onderzoeksproces werd aanzien.[59] In het project ‘mijnKOOL’ was het centrale vraagstuk wat rode kool als bio-indicator ons kan leren over de bodemgesteldheid van rode kool.

Dezelfde vraag stelden we in het project binnen Atelier Luma: wat kunnen algen en bacteriën uit het water ons vertellen over het landschap en de fragiele ecologie van de Camargues, die bedreigd wordt door vervuiling, overbemesting, klimaatopwarming en invasieve soorten? In de workshops, georganiseerd in samenwerking met Z33 voor de expo ‘The Sustainist Gaze’ werkten we specifiek met het anthotype-procedé in het natuurgebied de Maten. De zeer diverse groep deelnemers dompelden we onder in het natuurgebied en probeerden hen vanuit een sustainist lens naar het landschap te kijken. Bij de workshop rond het Ecotron-onderzoekscentrum stond de specifieke ecologie van de terril van Eisden (België) in het natuurpark Connecterra, een symbool voor deep-time en fossiele brandstoffen op het programma.


In het kader van de jaarlijkse bijeenkomst van biologen en klimaatwetenschappers die via Field-stations de gevolgen van de klimaatopwarming opvolgen, gaf ik in het Ecotron in Maasmechelen en op de terrils van Eisden een anthotype-workshop. Het was een enorm voorrecht om met een grote groep experten te kunnen werken en ze uit hun academische comfort-zone te mogen halen en binnen te loodsen in artistieke onderzoeksmethoden. We werden met z’n allen gelijken, en deels onwetend, en dit zorgde voor een enorm krachtige, onzekere leeromgeving waarbij we veel van onze verschillen leerden, en pluralistische inzichten kregen over het gebied, klimaatopwarming, fotosynthese, kijken en fotografie met elkaar deelden. 

De veldbiologen werden uitgedaagd om op een andere manier naar het landschap, en ecologie te kijken, plantaardige pigmenten te oogsten, anthotype-emulsies voor te bereiden, en deze te belichten. In ruil, kreeg ik onschatbare informatie over de gevolgen van klimaatwarming op onze leefomgeving.


Bij het geven van workshops of lessen binnen een educatieve omgeving blijf ik steeds het principe van de participatieve observatie hanteren. Deze methode van -zien- is niet meer los te koppelen van mijn -zijn- en valt op m’n leeftijd niet meer te milderen. Gelukkig maar. Op feestjes, tijdens vergaderingen, concerten, wandelingen, busreizen, op restaurant, in steden, bossen, op boten, zeeën, in vliegtuigen, op begrafenissen, huwelijken, feestjes, tijdens doktersbezoeken en bij het fotograferen, kortom in alles wat ik doe, blijft deze blik, die zowel naar buiten als naar binnen staart, onverbiddelijk aanstaan. Ik probeer deze modus van -zien- en -zijn- zo veel als mogelijk door te geven aan studenten, deelnemers van een workshop of bezoekers van een expositie als een verpakt cadeautje, met delen van het rizoom.[60]Of ze het aannemen, uitpakken en het wortelstukje laten groeien en verder vertakken is aan hen. Het mooie aan een weke, op een rizoom-gebaseerde, pedagogie is, dat ik ook als deels onwetende meester eveneens overladen wordt met kostbare cadeautjes van de deelnemers in de vorm van hun gedeelde kennis en expertise.           


De tentoonstelling als productie- en denkruimte            

In de verschillende tentoonstellingsvormen waarmee ik experimenteerde gedurende mijn onderzoek hanteerde ik de principes van de onwetende meester en weke pedagogie om de toeschouwer uit te dagen en onder te dompelen in een Sustainist Gaze.[61] Bij ‘Manufactuur 3.0’, werd het idee van een klassieke tentoonstelling volledig verlaten om plaats te maken voor een werkplaats waarbij de grenzen tussen een expositie, workshop, werkplaats en atelier vervaagden. Dit tentoonstellingsconcept uitgewerkt door Evelien Bracke zorgde voor een actieve betrokkenheid en wisselwerking tussen mij -als deels onwetende kunstenaar/meester- en het publiek als -geëmancipeerde toeschouwer-.[62] De bezoekers liepen letterlijk in de ruimte waar ik, tijdens de bezoekuren, samen met de andere kunstenaars, onderzocht en experimenteerde. Er ontstonden veel interessante gesprekken tussen bezoekers en kunstenaars waar we onderling veel van elkaar leerden en vrijuit over ecologie, kunst, methoden en politiek konden spreken en corresponderen op een gelijkwaardige manier.


‘Manufactuur 3.0’: Deze tentoonstelling werd in 2016 gecureerd door Evelien Bracke en vond plaats in Z33 - Huis voor Hedendaagse Kunst in Hasselt, België. Het uitgangspunt van de tentoonstelling was de noodzaak om onze traditionele productiemethoden, binnen het huidige agro-logistieke systeem te herdenken en alternatieven aan te reiken die buiten het gemakkelijke denken vielen. In feite stelde MANUFACTUUR 3.0 het concept van een tentoonstelling zelf in vraag, en vormde het de ruimtes van het museum om tot een bruisende en innovatieve productieplek. 

Z33 werd op deze manier een nieuwe productieplaats waar ontwerpers, kunstenaars en architecten gedurende drie maanden (oktober-december 2016) nieuw werk creëerden op basis van alternatieve productiescenario's. De focus verschoof op deze manier van het presenteren van producten of kunstwerken als eindresultaten, naar het tonen van productieprocessen.  Hierdoor kreeg de tentoonstelling de vorm van een methodisch en steeds veranderend geheel. Omdat MANUFACTUUR 3.0 zich richtte op duurzame ontwerp- en productieprocessen,[63] koos ik ervoor om de vier pijlers van Schwarz en Krabbendam van de Sustainist Design Guide te gebruiken als basis voor mijn eigen project.[64] Deze gedachte resulteerde in een open werkplek die niet alleen open stond voor het publiek dat actief in mijn onderzoeksproces kon duiken, maar werd ook een samenwerkingsplek voor een aantal kunstenaars en designers.





Ik toonde in Manufactuur 3.0. niet alleen mijn reeks ‘Strain’, maar experimenteerde ook zelf in het atelier met nieuwe pigmenten om organische  en drinkbare emulsies te ontwikkelen. Verder voerde ik nieuwe experimenten uit met het caffenol procedé waarbij traditionele fotonegatieven worden ontwikkeld met koffie, om de schadelijke chemie zoveel mogelijk te beperken.[65]

Om verbindingen en dicipline overschreidende samenwerkingen te initiëren nodigde ik een aantal kunstenaars, makers en ontwerpers uit die actief zijn in verschillende disciplines - meestal mensen die al op een of andere manier met het concept van duurzaamheid bezig waren - om met mij samen te werken in mijn MANUFACTUUR-studio. Het initiëren van open samenwerkingen zijn een goede manier om te experimenteren, kennis uit te wisselen, nieuwe ideeën te ontwikkelen en elkaars werkmethodes te beïnvloeden. Experimenteren en spelen in een open omgeving zijn essentieel om creatief te blijven. 

Het open karakter van de tentoonstelling in de vorm van een workshop maakte het mogelijk om de processen, grondstoffen en ideeën uit te wisselen met een publiek. Dit resulteerde in een interactief proces met een interessante manier van kennisuitwisseling tussen publiek en kunstenaars.




Jenny Stieglitz maakte tekeningen op een muur van mijn werkplek die de verschillende stadia van het anthotypeproces visualiseren.[66] Ondertussen maakte grafisch designerPablo Hannon tekeningen verwijzend naar botanische illustraties. Voor deze tekeningen maakten we zelfgemaakte biologische inkten op basis van middeleeuwse recepten en lokale ingrediënten, zoals walnootschillen, vlierbessen enboerenwormkruid.[67]

Verder vroeg ik Veerle Tytgat, een textielontwerpster die al enige expertise had met het kleuren en verven van textiel met organische pigmenten om te experimenteren in het atelier. Ze gebruikte niet alleen lokale planten om stof te kleuren, maar ook minder voor de hand liggende ingrediënten uit het landschap, zoals slib, klei en modder.[68] Productdesigner Andries Vanvinckenroye ging aan de slag met de afvalstromen van onze productie gestoeld op organische en lokale grondstoffen, en experimenteerde met deze stoffen om nieuwe samengestelde composietmaterialen te ontwerpen op basis van koffieresten, walnootschillen, gelatine en vislijm


Het actief betrekken van anderen en hen mee te nemen in een onzekere zoektocht naar nieuwe manieren om met onze habitat om te gaan, is in mijn artistieke praktijk en onderzoek voor mij een belangrijk en krachtig gegeven. Niet alleen via fotografie, kunstwerken, publicaties, of exposities maar ook door onderwijs, workshops en participatieve projecten. Het onderzoek is voor mij dan ook in de eerste plaats misschien wel een voortdurende dialoog met jullie, met de wereld en met alle actoren die zich erin bewegen. Niet lineair, maar circulair, waarbij deze neerslag van het onderzoeksproces niet alleen een eindpunt vormt van dit onderzoeksproject maar tegelijkertijd de start van een nieuw, pluraal, rizomatisch begin van afstemming.

Laat deze publicatie, een verzameling van rizomatische ideeën, experimenten en concepten, vooral een stimulans zijn tot het herontdekken van onze habitat en hopelijk het begin van meer boeiende samenwerkingen tussen kunst, wetenschap en planten zelf als mede-actor in een ecologie die continue in transitie is. Een uitnodiging tot exploratie van een fascinerende wereld, waarvan wij deel uitmaken van één geheel. Een vertakt geheel waar we -samen- en -in solidariteit- nog elke dag van kunnen en moeten leren.           

Hopelijk kan elk stukje kennis over onze relaties met planten en alle andere niet-menselijke actoren, onze verhouding tot onze habitat zich verspreiden en weer nieuwe kennis opleveren, net zoals elke afgebroken stukje wortelstok weer een nieuw onzeker begin kan zijn. Laat we vooral hopen dat deze nieuwe inzichten en kennis, afkomstig van de wetenschappen, filosofie en de kunsten zich invasief verspreiden en aanpassen aan een veranderende wereld. Laat het geen eind zijn, geen begin. Maar een midden dat kan binnendringen als een rizoom in bestaande structuren, en er vastgeroeste denkbeelden kan ontwrichten en splijten om ruimte te maken voor een nieuwe relatie en solidariteit met onze wereld en al haar actoren.[69]










[1] Allen, W. (2003) ‘Plant Blindness’. Bioscience,53, 10, p. 926.

[2] Berger, J. (2009) Why Look at Animals?Londen: Penguin Books.

[3] Aloi, G. (2018) Why Look at Plants. The Botanical Emergence in Contemporary Art. Londen: Brill.

[4] Serres, M. (2007) Parasite. Minneapolis: Minnesota Press.

[5] Serres, M., McCarren, F. (1992) ‘The Natural Contract’. Critical Inquiry, 19, 1, pp. 1-21; Gibson, P. (2018). The Plant Contract: Art's return to vegetal life. Leiden: Brill.

[6] Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.

[7] Mancuso, S., Viola, A. (2017). Briljant Groen. De intelligentie van planten. Amsterdam: Uitgeverij Cossee.

[8]Allen, W. (2003) ‘Plant Blindness’. Bioscience, 53, 10, p. 926.

[9]Mancuso, S., Viola, A. (2017) Briljant Groen. De intelligentie van planten.Amsterdam: Uitgeverij Cossee, p. 50.

[10] Marks, J. (2009) ‘What is Molecular Anthropology? What Can It Be?’ Evolutionary Anthropology: Issues, News, and Reviews, 11, pp. 131-135.

[11] Mancuso, S., Viola, A. (2017) Briljant Groen. De intelligentie van planten. Amsterdam: Uitgeverij Cossee, p. 47.

[12] Augé, M. (2009) Non-Places.An Introduction to Supermodernity. Londen: Verso Books.

[13] https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/06/26/foto-migrant-vader-dochter/.

[14]https://www.standaard.be/cnt/dmf20190629_04486029.

[15]https://www.theguardian.com/world/2019/jun/29/sea-watch-captain-carola-rackete-arrested-italian-blockade.

[16]https://www.demorgen.be/nieuws/officieel-juni-2019-was-warmste-juni-ooit~bcd64e17/.

[17] Fung, I. (2019) Beauty and the Beast: Cycling our Attention. Lecture. ALSE-Conference.

[18]https://royalsociety.org/topics-policy/projects/climate-change-evidence-causes/basics-of-climate-change/.

[19]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het Nieuwe Klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[20] Morton, T. (2014). Hyperobjects: Philosophy and ecology after the end of the world. Minneapolis: University of Minnesota Press.

[21] Dickinson, A. (2018). Anatomic. Toronto: Coach House Books; Dickinson, A. (2019) My Chemically and Microbially Crowded Body: An Activist, Scientific Poetics. Lecture. ALSE-Conference.

[22] Carle, R. (2019) Science Art, Activism: Building the Web. Lecture ALSE-Conference.

[23] Walker, N., Carlin, D. (2019) The After-Normal. Brief, Alphabetical Essays on a Changing Planet. Brookline: Rose Metal Press.

[24] Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[25] Herwerkte tekst uit Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.

[26] Mancuso, S., Viola, A. (2017). Briljant Groen. De intelligentie van planten. Amsterdam: Uitgeverij Cossee, pp. 124-160.

[27] Mancuso, S., Viola, A. (2017). Briljant Groen. De intelligentie van planten. Amsterdam: Uitgeverij Cossee, p. 144.

[28]Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[29]Mancuso, S. (2018) Plantenrevolutie. Hoe planten onze toekomst bepalen. Amsterdam: Uitgeverij Cossee.

[30]Deleuze, G., Guattari, F. (2005) A Thousand Plateaus: Capitalism and Schizophrenia. Londen-Minneapolis: University of Minnesota Press.

[31] Gibson, P. (2018) The Plant Contract, Artist’s Return to Vegetal Life. Leiden: Brill, p. 168.

[32] Deleuze, G., Guattari, F. (2005) A Thousand Plateaus: Capitalism and Schizophrenia. Londen-Minneapolis: University of Minnesota Press, p. 21.

[33] Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.

[34] Ingold, T. (2013) Yes Naturally, How Art Can Save The World. Rotterdam: na0I0 publishers, pp. 172-176; DiSalvo, C. (2012). Adversarial Design. The MIT Press; Morton, T. (2018) Ecologisch wezen. Utrecht: Uitgeverij Ten have; Latour, B. (2018) Waar kunnen we landen? Politieke oriëntatie in het nieuwe klimaatregime. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[35]Mancuso, S. (2018) Plantenrevolutie. Hoe planten onze toekomst bepalen. Amsterdam: Uitgeverij Cossee; Gibson, P. (2018) The Plant Contract, Artist’s Return to Vegetal Life. Leiden: Brill.

[36] Ingold, T. (2013) Yes Naturally, How Art Can Save The World, Rotterdam: na0I0 publishers, pp. 172-176.

[37]Morton, T. (2018). Duistere Ecologie. Amsterdam: Boom Uitgevers, p. 11.

[38] Adam, R., Whitehouse, H., Stevenson, R.B. & Chigeza, P. (2019). ‘The Socioecological (Un)learner: Unlearning Binary Oppositions and the Wicked Problems of the Anthropocene’. In: Touchstones for Deterritorializing Socioecological Learning. New York: Springer International Publishing, pp. 49-74, https://doi.org/10.1007/978-3-030-12212-6_3.

[39] Adam, R., Whitehouse, H., Stevenson, R.B., & Chigeza, P. (2019). ‘The Socioecological (Un)learner: Unlearning Binary Oppositions and the Wicked Problems of the Anthropocene’. In:Touchstones for Deterritorializing Socioecological Learning. New York: Springer International Publishing, pp. 49-74, https://doi.org/10.1007/978-3-030-12212-6_3.

[40] Rosendahl Thomsen, M., Wamberg, J. (2020). The Bloomsbury Handbook of Posthumanism. Londen: Bloomsbury.

[41] Morton, T. (2018) Duistere ecologie. Amsterdam: Boom Uitgevers, p. 111.

[42] Wollina, U., Karte, K., Herold, C., Looks, A. (2000). ‘Biosurgery in wound healing: the renaissance of maggot therapy’. Journal of the European Academy of Dermatology and Venereology, 14, 4, pp. 285-289.

[43] Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.

[44] Latour, B. (2020) ‘Is This A Dress Rehearsel?’. Critical Inquiry, 47, S2, https://doi.org/10.1086/711428.

[45] Latour, B. (2020) ‘Is This A Dress Rehearsel?’. Critical Inquiry, 47, S2, https://doi.org/10.1086/711428.

[46]Wohleben, P. (2016) Het verborgen leven van bomen. Wat ze voelen, hoe ze communiceren – ontdekkingen uit een onbekende wereld. Amsterdam: A.W. Bruna Uitgevers.

[47] Ingold, T. (2018) Anthropology and/as Education. Londen: Routhledge, pp. 32-35.

[48]Rancière, J. (2018) De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie. Leuven: Acco.

[49]Morton, T. (2018). Duistere Ecologie. Amsterdam: Boom Uitgevers, pp. 35.

[50] Ingold, T. (2018) Anthropology and/as Education. Londen: Routhledge, pp. 32-35; Dewy, J. (1966) Democracy and education: An introduction into the Philosophy of Education. New York: Free Press.

[51]Het deels onwetende docententeam dat de studenten in dit vak begeleidt zijn Joery Erna, Lieven Menschaert, Jan Snoekx en ikzelf.

[52]Ingold, T. (2018) Anthropology and/as Education. Londen: Routhledge, pp. 32-35.

[53] Ingold, T. (2018) Anthropology and/as Education. Londen: Routhledge, pp. 28-29.

[54] Maschelein, J., Simons, M. (2013) In Defence of the School: A Public Issue. Leuven: Education, Culture & Society Publishers, p. 47.

[55] Rancière, J. (2013) Aesthesis: scenes from the aesthetic regime of Art, Londen: Verso, p. 11.

[56] Maschelein, J. (2010). ‘E-ducating the gaze: the idea of a poor pedagogy’. Ethics and Education, 5, 1, pp. 43-45.

[57] Maschelein, J. (2010). ‘E-ducating the gaze: the idea of a poor pedagogy’. Ethics and Education, 5, 1, pp. 43-45.

[58] O’Neill, P., Wilson, M. (2010), Curating and the educational turn. Londen: Open editions, pp. 124-139; Késenne, S. (2021) Klein lexicon voor een pedagogische emancipatie in de hedendaagse kunst.

Naar een andere kijk op participatie in het licht van de ‘educational turn’. Proefschrift aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Doctor in de Pedagogische wetenschappen. Brussel: LUCA School of Arts.

[59] Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.

[60] Biesta, G.J.J. (2013) The beautiful risk of education. Boulder: Paradigm Publishers, p. 53.

[61] Over weke pedagogie, zie Ingold, T. (2018) Anthropology and/as Education. Londen: Routhledge, pp. 28-29. Over de tentoonstelling, zie hoofdstuk The Sustainist Gaze.

[62]Rancière, J. (2015) De geëmancipeerde toeschouwer. Amsterdam: Octavo Publicaties.

[63] Zie http://z33research.be/2016/11/manufactuur-3-0/, Toegankelijk jaar: 21 april 2017.

[64] Voor een uitgebreid verslag van mijn activiteiten in het kader van ‘MANUFACTUUR 3.0’, zie mijn blog http://www.sustainistgaze.com/.

[65]Dit open source ontwikkelingsproces werd in 1995 ontwikkeld door Scott A. Williams aan het Rochester Institute of Technology. Caffenol is een ontwikkelaar gemaakt van koffie, vitamine C en soda.

[66]Deze tekening werd later gereproduceerd met organische pigmenten op aquarelpapier.

[67] Zie http://www.jennystieglitz.be/ en http://www.hectica.com/.


[68] Zie http://veerletytgat.be/.

[69] Vrancken, K., Kosten, N. (2021) Not in My Backyard: An (Incomplete) Visual, Physical & Societal Dissection of the (Invasive Alien) Plant Species Japanese Knotweed. Brussel: Luca School of Arts.